Opec-lidstaten kunnen nog altijd geen vuist maken

ROTTERDAM, 24 MAART. OPEC, de organisatie van olie-exporterende landen, staat de komende dagen tijdens haar ministersberaad in Genève voor een nieuwe uitdaging om zijn machtspositie in de wereld te bewijzen, maar marktdeskundigen hebben daar weinig vertrouwen in. Ze verwachten geen krachtige maatregelen van het oliekartel om het overaanbod van olie het komende kwartaal te verlagen en in overeenstemming te brengen met de wereldvraag. Dat maakt een verdere daling van de prijs, die al geruime tijd zeer laag is en schommelt tussen de 13 en 14 dollar per vat (159 liter), in het tweede kwartaal waarschijnlijk.

Voor de Westerse consumptielanden komt dat goed uit, want olieprodukten blijven goedkoop. Dat geldt ook voor aardgas, waarvan de prijs is gekoppeld aan die van olie. Zó goedkoop dat het bijna een uitnodiging aan de Europese Unie is om nu maar snel de nieuwe ecotax waarover al jaren wordt gediscussieerd, in te voeren. Voor de olieproducerende landen - binnen en buiten OPEC - is de nieuwe Europese heffing die tot doel heeft de emissie van het broeikasgas CO (kooldioxyde) te verminderen, een schrikbeeld. Op termijn leidt een ecotax tot vermindering van de olie-afzet en dus van hun inkomsten, die al zwaar onder druk staan.

Tussen september vorig jaar en nu zijn die inkomsten al met een kwart gedaald door het kelderen van de olieprijzen. Vorige maand werd het laagste niveau in vijf jaar in de marktnotering voor de toonaangevende Noordzee-olie Brent bereikt: 12,60 dollar per vat. De prijzen zijn door tijdelijke oorzaken weer iets aangetrokken. Maar sinds 1990 is het verschil tussen de gemiddelde prijs van OPEC-olie en de minimum-richtprijs van 21 dollar per vat die het kartel hanteert, nog niet zo groot geweest.

Zelfs koning Fahd van Saoedi-Arabië, tevens minister van financiën, ontkwam niet aan bezuinigingen. Zijn overheidsbudget voor 1994 is met 20 procent ingekrompen. In andere, minder rijke olielanden zoals Algerije, Indonesië, Nigeria en Venezuela komt het aantrekken van de broekriem veel harder aan. Eind januari waarschuwde de Omaanse minister van economische zaken tijdens een bezoek aan Den Haag zelfs voor grote sociale en politieke spanningen die door een aanhoudend lage olieprijs worden uitgelokt.

Toch blijken de olielanden niet in staat een vuist te maken. Vergeleken met begin jaren '70 is de OPEC nu al enkele jaren een besluiteloze, zwakke organisatie. Het overaanbod heeft een strijd losgemaakt tussen de verschillende producenten om behoud van het eigen marktaandeel. Terwijl het verbruik in het Westen door recessie en energiebesparing vorig jaar slechts mondjesmaat toenam, steeg de winning over de hele wereld iets sterker dan de vraag. Volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs was het overschot in 1993 gemiddeld 400.000 vaten per dag, waardoor grote voorraden ontstonden.

Vorige maand bracht OPEC 270.000 vaten olie per dag meer op de markt dan het afgesproken plafond van 24,52 miljoen vaten voor het lopende kwartaal. In het Verre Oosten en Zuid-Amerika steeg de produktie ook en het hardst ging het in Noorwegen en Groot-Brittannië (geen leden van OPEC).

In hun periodieke beraad moeten de 12 olieministers van OPEC een produktieplafond voor het tweede kwartaal vaststellen. De machtigste is Hisham Nazer van Saoedi-Arabië, dat bijna een kwart van de produktie van het kartel levert. In december poogden de Golfstaten in een spoedberaad iets te doen aan de lage prijzen. Afgesproken werd dat Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar - goed voor meer dan de helft van de OPEC-leveranties - evenals de niet-OPEC Golfstaten Bahrein en Oman hun produktie zouden inperken op voorwaarde dat ook de producenten die niet tot OPEC behoren, een behoorlijke bijdrage zouden leveren. Olieminister Al-Shanfari van Oman werd op pad gestuurd om die medewerking los te praten, maar hij liep vrijwel overal een blauwtje. Oman gaf zelf het goede voorbeeld met een produktiebeperking van 5 procent. Maar Groot-Britannië en Noorwegen laten hun produktie intact. Ze hebben veel geïnvesteerd in hun Noordzee-velden en in nieuwe kostenbesparende technieken.

In het tweede kwartaal neemt de vraag naar olie altijd af, door het zachtere voorjaarsweer, en is er ruimte om de voorraden op peil te brengen voor de volgende winter. De komende drie maanden is er voor het verbruik slechts een vraag naar OPEC-olie van 23,3 miljoen vaten per dag. Daar komt ruim 1 miljoen vaten bij voor aanvulling van de voorraden. In Europa zijn de voorraden ruim, maar in het noordoosten van de VS zijn ze door de strenge winter sterk gedaald. Vergeleken bij het huidige produktieniveau zou OPEC zijn produktie met 700.000 vaten per dag moeten verminderen om een prijsstijging te bereiken

Saoedi-Arabië is er echter veel aan gelegen zijn produktie, die tijdens de Golfcrisis werd opgeschroefd van 5,2 tot 9 miljoen vaten per dag en nu is gestabiliseerd op 8 miljoen, zo lang mogelijk vast te houden. De Saoedi's pompen tegen zeer lage kosten en geven de voorkeur aan volume boven een redelijke prijs. Ze weten dat ze moeten inleveren zodra het vijandige buurland Irak (OPEC-lid) weer wordt toegestaan olie te exporteren. Maar een terugkeer naar 5,2 miljoen vaten per dag zullen ze niet snel accepteren.

Marktdeskundigen houden er al ernstig rekening mee dat de OPEC-ministers niet verder komen dan verlenging van het huidige produktieplafond van 24,52 miljoen vaten per dag, dat reeds fors is overschreden. “Dat zou voor de korte termijn een verdere prijsval betekenen, mogelijk zelfs tot 10 dollar per vat”, zegt directeur Herman Krul van Cargill Gestion, grondstoffenmakelaars in Genève. “Maar als ze een flinke produktiebeperking overeenkomen en ze houden zich daar ook echt aan, voorspel ik een prijsstijging van 10 tot 20 procent. Je proeft nu nog een negatief sentiment in de oliemarkt, door de lage vraag. Maar dat kan snel veranderen, nu Europa na de VS langzaam uit de recessie omhoogkrabbelt.”

    • Theo Westerwoudt