Ontbinden rechercheteam 'was onnodig en onjuist'

DEN HAAG, 24 MAART. Het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) is eind vorig jaar op onjuiste gronden en geheel onnodig ontbonden. De werkelijke redenen voor het opheffen van het team, dat de georganiseerde criminaliteit moest bestrijden, zijn de spanningen binnen het openbaar ministerie in het ressort Amsterdam en het feit dat de Amsterdamse politie niet met andere korpsen wilde samenwerken.

Dit concludeert de commissie-Wierenga die vanmorgen de resultaten presenteerde van het onderzoek naar de achtergronden van de plotselinge opheffing van het IRT op 7 december 1993. Over de handelwijze van de verantwoordelijke ministers, van binnenlandse zaken en van justitie, spreekt de commissie geen oordeel uit. “Dat is aan de Tweede Kamer”, zei voorzitter Wierenga.

In het rapport wordt het optreden van vier Amsterdamse hoofdrolspelers in deze zaak met name bekritiseerd: hoofdofficier van justitie mr. J.M. Vrakking, procureur-generaal mr. R.J.C. graaf van Randwijck, en de politiecommissarissen J.C. van Riessen en drs. E.E. Nordholt. Het Tweede-Kamerlid J. Kohnstamm, voorzitter van de Kamercommissie voor de politie, zegt zich “nauwelijks te kunnen voorstellen dat Vrakking, Nordholt en Van Randwijck blijven zitten”.

Premier Lubbers en minister Van Thijn (binnenlandse zaken) zeiden vanmorgen dat zij geen consequenties uit het rapport trekken voor de vier betrokken leidinggevende functionarissen. “Wij menen niet dat zij uit hun functie moeten worden ontheven”, aldus Van Thijn. Volgens de minister kan niet worden ontkend dat alle vier stuk voor stuk fouten hebben gemaakt, maar hij vroeg zich af of hun dat ook zwaar moest worden aangerekend. Ze hebben gehandeld volgens de hun ter beschikking staande informatie.

Volgens Lubbers is essentieel voor de vraag of personele consequenties moeten worden getrokken of iemand 'fout is' dan wel dat er fouten zijn gemaakt. Hij hield het op het laatste. Zowel Van Thijn als Lubbers onderstreepte dat er bij de opheffing van het IRT geen sprake is geweest van “moord met voorbedachten rade”.

Voorzitter Wierenga zei in reactie daarop dat de bewindslieden te zeer alleen gekeken hebben naar de werkmethode van het IRT. “En dat is onjuist, we hebben veel meer fouten beschreven.”

Het IRT werd opgericht eind jaren tachtig als antwoord van justitie op de ontwikkelingen van de zware georganiseerde criminaliteit. Volgens de commissie-Wierenga ontwikkelde het IRT zich tot een goed functionerend team. De vraag welk van de betrokken korpsen het beheer over het IRT voerde bleek steeds zwaarder te wegen. De commissie vindt dat één team in het ressort Amsterdam de voorkeur verdient. Het oude IRT zou voorlopig zonder 'Amsterdam' moeten worden voortgezet.

D66 heeft bij monde van J. Kohnstamm inmiddels laten weten dat minister Hirsch Ballin (justitie) als verantwoordelijke voor het “geklungel op alle niveaus” de eer aan zichzelf moet houden en moet aftreden. De VVD is nog niet zover en denkt vooralsnog aan “een signaal van afkeuring, wellicht gevolgd door een motie van afkeuring”, aldus woordvoerder Dijkstal.

Volgens de commissie is de reden voor de opheffing die destijds in een persbericht van Vrakking, Nordholt en de toenmalige burgemeester Van Thijn werd aangevoerd, niet de werkelijke oorzaak geweest. In het persbulletin werd melding gemaakt van het “uit de hand lopen van een op zichzelf geoorloofde werkmethode” van het interregionale politieteam. Er werd daarbij vanuit gegaan dat de politie de controle was kwijtgeraakt over een informant die was geïnfiltreerd in een criminele organisatie.

Pag.3: Vrakking handelde 'ondoordacht'

Vrakking heeft volgens de commissie “overijld en ondoordacht” gehandeld en is in belangrijke mate verantwoordelijk voor de ernstige gevolgen van een lopend opsporingsonderzoek, waardoor de risico's voor de betrokken politiemensen en een informant zijn vergroot.

De commissie uit ook kritiek op het optreden van procureur-generaal Van Randwijck. De commissie heeft “ernstige bedenkingen” tegen zijn handelwijze. Van Randwijck heeft “ruimschoots” de gelegenheid gehad om in te grijpen.

Volgens de commissie-Wierenga werd de door het IRT gebruikte werkmethodiek zorgvuldig toegepast. Zij was evenmin in strijd met de richtlijnen van het openbaar ministerie. De commissie heeft evenmin aanwijzingen gevonden dat de ontbinding verband hield met de dreiging dat het IRT in zijn functioneren te dicht bij corruptie in het Amsterdamse korps zou zijn gekomen. Volgens de commissie is er verder geen sprake van dat politie-functionarissen opzettelijk hebben aangestuurd op de opheffing van het IRT om de openbaarmaking van corruptie bij de politie te verhinderen.

De Amsterdamse korpsleiding heeft volgens de commissie “een actief beleid gevoerd” met betrekking tot gevallen van aantoonbare corruptie. Wel vraagt Wierenga zich af of de leiding van de Amsterdamse recherche altijd “doortastend” genoeg heeft gereageerd op signalen vanuit het IRT en het openbaar ministerie over het “weglekken” van informatie en “de risico's die daaraan zijn verbonden en de mogelijkheid van corruptie daarbij”. In het Amsterdamse korps wordt, aldus het rapport, een openheid gekoesterd die “zeer ongewenst” wordt geacht als het gaat om een adequate aanpak van de zware georganiseerde criminaliteit. Er is in het korps een “aanwijsbaar gebrek aan discipline” in het afschermen van essentiële informatie” dat de kans op lekken “onaanvaardbaar groot” maakt.

De ontbinding van het IRT gebeurde nadat Vrakking begin november van de Amsterdamse politie hoorde dat er ongeoorloofde opsporingsmethdoen zouden worden toegepast. Amsterdamse agenten meenden te weten dat het IRT een informant gebruikte die op last van justitie cocaïne zou importeren. Toen Vrakking dat hoorde, liep men naar Van Thijn en naar Van Randwijck en zat men nog dezelfde dag bij Hirsch Ballin. “Er kwam toen een soort papegaaiencircuit op gang terwijl niemand wist waar het echt over ging”.

Vervolgens heeft niemand zich meer echt afgevraagd of die mededelingen over het importeren van cocaïne echt juist waren. De commissie heeft vastgesteld dat er alleen sprake is geweest van zorgvuldig gecontroleerde handel in softdrugs waar bovendien nauwlettend op werd toegezien door de politie en de betrokken IRT-officier van justitie, Van Capelle.

Het Tweede Kamerlid J. Kohnstamm kondigt aan volgende week de Tweede Kamer en de twee betrokken bewindslieden Hirsch Ballin en Van Thijn van het paasreces te zullen terugroepen om een debat over het rapport zal hebben. “Het kan niet zo zjn als er de komende week een groot openbare orde probleem in Amsterdam is, er niemand van de Amsterdamse politietop full fledged in functie is”, aldus Kohnstamm. Hij gaat ervan dat Hirsch Ballin hoofdcommissaris Nordholt, hoofdofficier Vrakking en procureur-generaal Van Randwijck tot aftreden zal dwingen en zelf ook zal aftreden. “Als dat laatste niet het geval is moeten we hem daarbij misschien een handje helpen”, aldus Kohnstamm.

De VVD is echter nog niet zover. Het Kamerlid H. Dijkstal zegt: “Politieke consequenties formuleren doe je pas aan het einde van een debat, niet daaraan voorafgaand.” Ook hij gaat ervan uit dat het rapport consequenties zal hebben voor het rapport. De VVD en D66 richten hun pijlen in eerste instanstie op Hirsch Ballin en minder op minister van Binnenlandse Zaken E. Van Thijn omdat hij niet in deze functie maar als burgemeester van Amsterdam volgens de onderzoekscommissie steken heeft laten vallen. CDA en PvdA wilden nog geen reactie geven.