Ommegang

Het is nu alweer vijf jaar geleden dat Fernando junior is gestorven. Nooit heb ik een groter en luidruchtiger verdriet meegemaakt dan toen bij zijn moeder. Hij lag in de kleine huiskamer opgebaard, in een zee van kanten kussens en bedolven onder de bloemen. Zijn blauwe lippen zagen er zo mogelijk nog blauwer uit. Herhaalde keren gedurende die dagen verscheen zij op het balkon dat op de dorpsstraat uitzag en dan hief ze een klaaglied aan dat nog het meest leek op het gejammer van een log, in doodsnood verkerend beest. Ze sloeg wild op haar borst en na een korte stilte van uitputting begon het loeien van voren af aan. Het hele dorp was uitgestroomd en keek verbijsterd naar het schouwspel. Niemand durfde een vin te verroeren. Het leek of het heelal tot stilstand was gekomen rondom die zwoegende, krijtende, zichzelf op borst trommelende vleesklomp van wee daar op het balkon.

Wij wonen aan de weg naar het kerkhof. Op de dag van de begrafenis trok een nog steeds even bedremmelde stoet aan ons huis voorbij en was er nog steeds één spil die alles wat er in het heelal aan geluid en energie beschikbaar was monopoliseerde. Bij de poort van de oprit hield de stoet even halt. Het loeien ging over in een hoog snerpen.

Sinds die dag heeft de moeder van Fernando junior haar begrafeniskleren niet meer afgelegd. Haar zwarte gewaad en hoofddoek, doorgaans voorbehouden aan weduwen, werden een vertrouwde verschijning op de weg naar het kerkhof. Vijf jaar lang nu, iedere morgen, iedere avond. Nu eens met een bloesemtak, dan weer met najaarsbloemen, soms ook met een waterkruik loopt zij daar. Iedere keer als ik haar zie vangt in mijn hoofd het zieldoorsnijdende loeien opnieuw aan. In werkelijkheid heeft zij sindsdien nauwelijks een klank meer geuit. Ook lijkt ze haar drie andere zonen, allemaal ouder dan Fernando junior en allemaal gezond en geslaagd, volstrekt vergeten.

Het is doorgaans een vrolijk gedoe op de weg naar het kerkhof. Het is de route die de processie op feestdagen aflegt. Het is voor veel dorpsbewoners ook de weg naar hun moestuin. Oude mannetjes trekken hun karretje voort, op een afstand gevolgd door hun oude vrouwtjes. Op de heenweg liggen er werktuigen in het karretje, op de terugweg aangevuld met koolbladeren of sprokkelhout. Soms ligt ook een van de vrouwtjes languit in het karretje en schatert. Maar er valt een slagschaduw over de weg, als de vlerk van een sombere vogel, zodra de moeder van Fernando junior opduikt. De karretjes houden stil om haar bij haar dagelijkse bedevaart niet te storen.

Tussen haar bezoeken aan het kerkhof door kookt ze voor Fernando senior. Ze zet de maaltijd zwijgend voor hem neer en loopt het erf op om daar met steeds eendere bewegingen knoflookbollen en uien tot strengen te vlechten of de resten van de gesnoeide olijfbomen te verbranden.

    • Gerrit Komrij