'Midden in een 4 havo les ben ik uit frustratie weggelopen'

Aanvankelijk wilde Alex Zimmermann (55) atoomgeleerde worden en Peter Hocks (62) priester. In plaats daarvan werden beiden leraar. Inmiddels is Peter twee jaar met de VUT. Alex aarzelt, maar de vraag is of hij nog vroegtijdig kan uittreden.

Na zijn priesteropleiding werd Peter Hocks met het oog op het pas gestichte seminarie Leeuwenhorst in Noordwijkerhout door het bisdom Rotterdam 'op de studie Engels gezet'. In 1965, het jaar dat de 'Mammoet' zijn intrede deed, begon hij met zijn loopbaan in het middelbaar onderwijs. Aanvankelijk bood het seminarie nog een beschermde omgeving. “De seminaristen waren niet allemaal even begaafd”, herinnert hij zich, “maar wel van goede wil.” Al snel ging Leeuwenhorst bij gebrek aan kandidaat-priesters open voor jongens uit de streek - later ook meisjes. De school groeide als kool.

Het lesgeven begon Peter zwaar te vallen - Engels betekende 'volle bakken', tussen de lessen door stoof hij van lokaal naar lokaal en tijd voor 'leuke dingen' was er niet meer.

Niet de individuele leerlingen vreesde hij, maar de macht die ze als groep uitoefenden. “Misschien verlangde ik teveel prestaties, ik ben een perfectionist. De leerlingen leken wel bang van me. Aan de andere kant, er is veel geld in ze gestoken en dan moet je niet zitten lapzwansen.”

De frustratie over het gebrek aan inzet bij veel leerlingen liep hoog op. “Het vergde zoveel energie, voor een volle baan had ik gewoon adem tekort. Al die uittreksels, al die brieven, en dan wilde ik het ook nog zo nodig objectief beoordelen: fysiek wist ik me 's avonds en in het weekend niet langer te herstellen.”

Peter begon slecht te slapen, slikte een tijd lang valium en slaaptabletten. De klassen begonnen hem te ontglippen. “Was ik maar wat luchtiger geweest,” zegt hij nu.

Op een gegeven moment liep de frustratie zo hoog op, dat hij dreigde in elkaar te klappen. De schoolleiding schoot tehulp, maakte hem voor vijf taakuren bibliothecaris, wat hij duidelijk als een verlichting ervoer. Maar op een gegeven moment werden die taakuren vanuit Den Haag wegbezuinigd en moest Peter weer zijn volle lestaak hervatten. “Toen ging het echt fout, midden in een les aan 4 havo ben ik weggelopen.”

De controlerend arts stelde hem gerust. In de steden zouden leraren van 56 en ouder zo goed als volledig uit de scholen zijn verdwenen. Peter ging voor de helft met ziekteverlof. Twee jaar later werd hij voor dat deel van zijn betrekking afgekeurd, met een halve baan diende hij zijn loopbaan uit. Met plezier: hij had weer lucht. Zo bemoeide hij zich enthousiast met het invoeren van een nieuwe methode, zelfs volgde hij een bijscholingscursus 'contacten met leerlingen'. Zij het ook met scepsis: “Het geloof dat het iets nieuws zal opleveren, neemt af met de jaren.”

In 1992 ging Peter met de VUT, op zijn zestigste. Direct de eerste dag van de grote vakantie moest hij naar het ziekenhuis voor een versleten heup. Twee jaar later valt lezen hem vanwege een onwillige rug soms zwaar, maar met zijn volkstuin vermaakt hij zich uitstekend. “Leerlingen mis ik niet, wel collega's.”

Taakverlichting

Het onderwijs vergrijst. In convenanten tussen ministerie en bonden is daarom ruimte afgesproken voor een gericht seniorenbeleid. Dit bovenop de bestaande regelingen voor (gedeeltelijke) vervroegde uittreding, al dan niet met eigen bijdrage in de kosten. Maar omdat brede grote scholengemeenschappen financieel door minister Ritzen worden voorgetrokken, heeft 'krimpschool' Leeuwenhorst met 650 leerlingen in deze tijd van groeiende verzelfstandiging de seniorengelden hard nodig om financieel het hoofd boven water te houden.

De school zoekt het daarom in 'gedifferentieerde taakbelasting'. Binnen het formatie budgetsysteem (FBS), dat de scholen in staat stelt eigen prioriteiten te stellen, bestaan daarvoor mogelijkheden. Rector M.J.M. Heus: “Een oudere docent kan het, met zijn ervaring, uitstekend doen als vakgroepvoorzitter. Of hij kan in belangrijke commissies zitting nemen. Tegelijk surveilleert zijn jongere collega wat vaker bij disco-avonden of gaat mee met vermoeiende excursies.”

Onder druk van de WAO-discussie hebben overheid en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds de keuringsprocedures aangescherpt. Heus: “Vroeger werd een afgebrande docent die eruit wilde weinig in de weg gelegd, tegenwoordig duurt een afkeuringsprocedure soms jaren. Voor de betrokkene een lijdensweg.” Een lichtpuntje voor de leraar met invaliditeitspensioen is dat met 57 jaar de sollicitatieplicht vervalt.

Per 1 augustus 1994 treedt de BAPO in werking, de regeling Bevordering Arbeids Participatie Ouderen. Docenten van 52 t/m 55 jaar kunnen vier extra klokuren met verlof. Die van 56 jaar en ouder acht jaar. Alles tegen inlevering van 50 procent van het salaris en met een overgangsregeling voor hen die in de - aanzienlijk gunstiger - regelingen van dit moment vallen. Inmiddels heeft een onderzoek onder docenten, uitgevoerd in opdracht van het ministerie, aan het licht gebracht dat maar 35 procent van de betrokkenen zich door de BAPO voelt aangesproken. Niet meer dan de helft van de gebruikers van de huidige taakverlichtingsregeling zegt de nieuwe regeling te accepteren.

Bewuste deeltijder

Alex Zimmermann heeft als 'bewuste deeltijder' met 17 lesuren geen behoefte aan BAPO. Na een onstuimige start, die hem menigmaal van school deed wisselen, zit hij sinds 1976 op College Leeuwenhorst. Met plezier, al was het vroeger leuker. “Het was minder bureaucratisch, je deed gewoon je werk zonder dat de schoolleiding zich er veel mee bemoeide. Tegenwoordig is alles gereglementeerd, met commissies, met studiedagen, met middenkader. Wat ging er vroeger dan mis? En wat nu beter?”

Door terugloop van het aantal leerlingen zal in de wiskundevakgroep komend schooljaar zeer waarschijnlijk een baan sneuvelen. Dat komt Alex niet slecht uit: hij hoopt zich bij die gelegenheid als oudere docent bovenaan de afvloeiingslijst te laten plaatsen. “Als die mogelijkheid dan tenminste nog bestaat. Anders begint het erop te lijken dat ik weleens tot mijn 65e aan Leeuwenhorst vast zou kunnen zitten.”

Dat idee lokt weinig. “Er komt een fusie aan. En er zijn vernieuwingen op handen die ik graag aan me voorbij zou laten gaan. Zo worden computers, waar ik helemaal geen affiniteit mee heb, in de nabije toekomst in de wiskundelessen geïntegreerd. Straks moet ik op mijn zestigste nog op bijscholingscursus.”

Fysiek kan Alex het moeiteloos bolwerken. “Door de klas lopen en met een krijtje voor het bord staan, het is heus niet zwaarder dan twintig jaar geleden.” Wel valt hem op dat, terwijl op Leeuwenhorst het corps vergrijst, er omwille van concurrentie vaker dan vroeger de zweep over gaat. “Maar ik laat me niet opjutten, mijn pauzes zijn heilig.” De vijftien kilometer naar school fietst Alex, weer of geen weer, en op weg naar huis laat hij het allemaal van zich afglijden. “Thuis ben ik huisman.” Niettemin is er de angst dat het leraarschap op zijn zestigste vervelend zou kunnen worden. “Dan druk ik, met mijn huiver voor computers, op mijn oude dag nog een jonge superenthousiaste collega eruit. Dat geeft scheve ogen.”

Het ambacht, het pure lesgeven, verschaft Alex nog altijd veel genoegen, al daagden de leerlingen hem vroeger meer uit. “Je moet jezelf niet te serieus nemen. Lesgeven is theater op het scherpst van de snede. Het is de kunst van het overbrengen, van een mooi volgeschreven bord, het dynamische van een klas jonge honden, en intussen op hoog niveau met wiskunde in de weer zijn. Ik zou het niet graag missen.”