Meester van de ronde vorm; De ontwerpen van Chris van der Hoef in het Koninklijk Penningkabinet te Leiden

Een penning is eigenlijk een beeldhouwwerkje in reliëf, met de aangename eigenschap dat hij draagbaar is, tastbaar, en alleen al daarom begeerte opwekt. Op de tere penningen van Chris van der Hoef worden vijf vrouwen een tulp en vaart een schip onder vliegtuigvleugel.

Chris van der Hoef (1875-1933), penningen, beelden en keramiek. Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet, Rapenburg 28, Leiden. T/m 17 sept. Di t/m za 10-17u, zo 12-17u. Inl 071-120748.

De kunst van het ontwerpen van penningen krijgt dezer dagen, in Nederland en de rest van de wereld, meer aandacht dan zij in jaren heeft gehad. Onlangs werd aan een Nederlandse kunstenares, Marianne Letterie, een prestigieuze Amerikaanse onderscheiding voor penningkunst uitgereikt. In Washington vindt nu een prachtige expositie plaats van portretpenningen uit de Renaissance. En in het Koninklijk Penningkabinet te Leiden wordt de ontwerper Chris van der Hoef (1875-1933) met een tentoonstelling geëerd. Hij was de belangrijkste Nederlandse medailleur van deze eeuw. De tentoonstelling zal na Leiden te zien zijn in Assen en Gent.

Een penning - die in tegenstelling tot een munt nooit betaalmiddel is - is eigenlijk een stukje beeldhouwwerk in reliëf, en heeft de hoogst aangename eigenschap dat hij draagbaar is, hanteerbaar, tastbaar, en alleen al daarom begeerte opwekt. Het ontwerpen ervan is bij uitstek een gebonden kunst - hoewel niet zo gebonden als dat van munten, die altijd aan strikte eisen omtrent dikte, gewicht etcetera moeten voldoen.

Voor een hedendaags museum hebben penningen het bezwaar dat zij van een afstand niet zo erg 'tonen' en dus voornamelijk ingewijden en liefhebbers aanlokken. Maar in het geval van Van der Hoef, die als beeldhouwer in de leer is geweest bij Berlage en ook een vooraanstaand ontwerper van aardewerk was, lag de oplossing voor de hand. De tentoonstelling omvat behalve vele tientallen penningen ook andere door hem ontworpen objecten, beeldjes zowel als serviesgoed.

Het serviesgoed is van dat 'overige werk' het mooiste. Alleen al een bakje van geelbruin aardewerk, in een antiek aandoende vorm, gedecoreerd met ijle, gestileerde zwarte hertjes, is onweerstaanbaar. Het is in 1902 vervaardigd in de aardewerkfabriek Amstelhoek, waar Van der Hoef artistiek leider was. En het vertoont reeds een variant van de karakteristieke vierkantjes-decoratie, die bedacht is door Van der Hoef maar op heel veel Nederlands gebruiksaardewerk uit de eerste decennia van deze eeuw is terug te vinden.

Antieke, gestileerde motieven, veelal à l'Egypte, wist Van der Hoef vaak te verwerken in sobere, waardige vormen. Opvallend excentriek is alleen een wit-met-zwart theeservies uit 1926, waarvan de thee- en de suikerpot hoge, gestreepte puntdeksels dragen.

Maar de penningen zijn het interessantste. Van der Hoefs eerste dateren van 1908. Opzien baarde hij in 1912 met de penning Nederland, het bloeiende wijde land. Daarop vloeien, omcirkeld door een tekst van A. Roland Holst, vijf vrouwenfiguren tot een tulp ineen tegen een achtergrond van tulpenbedden. Tere, vaak symmetrische, fijnzinnige vormen kenmerken deze en andere vroege penningen van Van der Hoef. Vaak staan er vrouwenfiguren op - waarvan de borstjes altijd zo mooi oplichten omdat zij een tikje vooruit steken -, geplisseerde stoffen, en kantachtige plantenmotieven.

Het wonderlijke van penningen is dat zij althans in onze eeuw altijd voor een aanleiding zijn gemaakt: er is een jubileum of ramp te herdenken, een stichter te eren, een congres op te luisteren - of hij is voor een club van penningminnenden. Maar er is vrijwel altijd een opdrachtgever, en soms stelt die heel specifieke eisen. Van der Hoef mat zich in zijn contacten met die opdrachtgevers weinig artistieke airs aan; hij was altijd bereid om zijn ontwerpen aan te passen.

Des te knapper is het, dat hij toch zulke originele, sprekende produkten heeft voortgebracht. Vooral zijn latere penningen hebben een onverwachte klemtoon, een sterk element dat tot iets prachtigs leidt. Heel soms wordt naar mijn smaak de grens naar de al te zware, in onze ogen besmette sociaal-realistische stijl overschreden. Maar meestal niet.

Een penning als die voor Fokker uit 1929, met een sterk vergrote vliegtuigvleugel die het halve oppervlak ervan bedekt, is geniaal. In de diepte (diepte!) onder het toestel vaart een tweemaster op zee. Wie de penning ziet wil niets liever dan hem vastpakken, voelen hoe glad en rond die vleugel is. Helaas is dat in het Koninklijk Penningkabinet niet mogelijk. Maar de voortbrengselen van deze half-vergeten kunstvorm schijnen op de vrije markt nog zeer betaalbaar te zijn - al is de verwachting dat de prijzen van Van der Hoef nu wel iets zullen aantrekken.

    • Ileen Montijn