Kostbare varende salons van sierkunstenaar Lion Cachet

Tentoonstelling: C.A. Lion Cachet (1864-1945), sierkunstenaar en ontwerper. Drents Museum, Brink 1 en 5 in Assen. Tot en met 10 april: di t/m zo 11-17. Van 29 april t/m 26 juni in Boymans-van Beuningen, Rotterdam.

Ze worden als een mijlpaal in de Nederlandse versieringskunst uit de jaren negentig van de vorige eeuw beschouwd: de drie diploma's voor de Vereniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels. In 1892 besloot die vereniging ter gelegenheid van een internationale tentoonstelling voor de boekhandel een besloten prijsvraag voor een dergelijke oorkonde uit te schrijven tussen G.W. Dijsselhof, Th. Nieuwenhuis en C.A. Lion Cachet. Hun nieuwe vlakverdelingen, nieuwe ornamenten en nieuwe lettertypen luidden de Nederlandse Art Nouveau, de Nieuwe Kunst, in.

De drie vrienden-collega's gebruikten voor de diploma's de bijna vergeten houtsnijtechniek. De houtsnede en ander werk van Lion Cachet is momenteel in Assen, en de komende maanden in Rotterdam te zien. Op een joodse gebedsrol staat een werveling van vrijwel onleesbare Griekse, Egyptische en Perzische letters geschreven. Links daarvan legde Lion Cachet de relatie met de opdrachtgever door een boekenwand op een ruimte suggererende tegelvloer; het monogram van Albrecht Dürer illustreert zijn bewondering voor de imposante houtsnedes die Dürer omstreeks 1500 maakte.

Met dit boekhandeldiploma begon de carrière van Lion Cachet als sierkunstenaar. Hij was voorbestemd om onderwijzer te worden, doorliep de kweekschool, gaf een paar jaar les, maar voelde zich niet op zijn plaats. Als 24-jarige trad hij in 1888 in dienst bij de Amsterdamse kunsthandel Van Wisselingh, een firma die in opdracht uitgevoerde meubels aan rijke klanten leverde. Lion Cachet maakte daar kennis met Dentz van Schaik, een kunstverzamelaar die een dubbel pand op het Frederiksplein in Amsterdam bewoonde. Het Drents Museum heeft uit die niet meer bestaande woning een mooie bloemlezing aan meubilair bijeengebracht. Bovendien geven een betegelde schoorsteen met zilveren spiegel, een deur met glas-in-lood en een druk bewerkt plafond een uitstekende indruk van het huis Dentz én van Lion Cachet, die zijn hele leven een bijna onnederlandse hang naar luxueuze materialen en arbeidsintensieve bewerkingen behield. Hij introduceerde het batikken in Europa en decoreerde in die techniek perkamenten boekbanden en stoelzittingen, combineerde uiteenlopende produkten als kurk en bladgoud, eboniet en parelmoer. In ebben en coromandel bracht hij inlegwerk van ivoor aan, in marmer een sierrand van lood.

In 1906 vroeg de directeur van Stoomvaart Maatschappij Nederland Lion Cachet, die inmiddels in Vreeland een eigen atelier had gevestigd, de betimmering en meubels te ontwerpen voor het mailschip Grotius. Het sprak in die tijd nog vanzelf dat schepen van grote internationale lijnen 'historiserend' werden ingericht. Op de Britse Lusitania verbleven de passagiers in neo-klassieke Adam-appartementen en op de France waren Versailles-zalen nagebouwd. Lion Cachet verwierp die valse nostalgie, maar durfde niet zo ver te gaan dat stalen wanden, trappen en klinknagels in het zicht van de eerste-klaspassagiers kwamen. Op de kleine honderd schepen die hij tot 1937 verzorgde, eerst voor de Nederland, een rederij die op Nederlands Oost-Indië voer, en later voor de Koninklijke Paketvaart Maatschappij en de Java-China-Japan Lijn, wilde hij de reizigers de illusie geven dat het tijdelijk verblijf op een oceaanstomer nauwelijks een onderbreking vormde van hun veilige, gesoigneerde leven aan de wal. Zijn 'Gesamtkunstwerke' - Lion Cachet drukte zijn stempel op meubels, betimmeringen, lampen, gobelins, tapijten, spreien en tafellinnen - werden varende salons van het type dat hij voor Dentz van Schaik maakte, kostbaar en overgestoffeerd. Als bekleding voor stoelen en banken nam hij antieke Perzische Bokhara tapijten, een merkwaardige keuze voor een scheepsreis die zich grotendeels in een tropische hitte afspeelt. Even vreemd is de angst voor 'inkijk' op volle zee; voor de ramen van de muzieksalon op de Jan Pietersz. Coen (een zaal befaamd om zijn hoge glazen koepel) konden ajour bewerkte luiken van ebbehout worden gezet.

Berlage had gelijk toen hij in een bundel opstellen uit 1923 verzuchtte dat er 'een volkomen aesthetisch conflict' bestond tussen Lion Cachets vertrekken en het industriële karakter van een schip, ook omdat houten lambrizeringen en wandbetimmeringen zich niet laten rijmen met de gebogen vlakken en lijnen die inherent zijn aan de vorm van een schip.

Geen enkel door Lion Cachet ingericht schip bestaat nog. De mailboten werden in de oorlog ingezet als troepen- of hospitaalschip en eindigden hun leven onder de slopershamer, voorzover zij niet eerder werden getorpedeerd. De Jan Pietersz. Coen vond zijn einde op 14 mei 1940. Dit drijvende paleis werd opzettelijk tussen de pieren van IJmuiden tot zinken gebracht, als versperring van de haven.