Kort geding over ontslag dirigent

DEN BOSCH, 24 MAART. Is het afgelasten op 17 januari jl. door dirigent Arpád Joó van het Brabants Orkest van een repetitie de werkelijke oorzaak geweest van zijn ontslag? Of was het voor de directie een welkome aanleiding om van hem af te komen? Die vragen kwamen dinsdag aan de orde in een door Joó aangespannen kort geding voor de president van de rechtbank in Den Bosch. Hij eist een schadevergoeding van 2 miljoen gulden, waarvan anderhalf miljoen als voorschot.

Volgens advocate mr. J. Theuws van het Brabants Orkest heeft de dirigent zich aan “desertie” schuldig gemaakt. Advocaat mr. J. Lamers van Joó voerde aan dat het incident door de directie werd aangegrepen als “een geschenk uit de hemel” om Joó kwijt te raken. Joó, een Hongaar, was al sinds 1986 aan het orkest verbonden en kreeg in 1991 zijn vaste aanstelling.

Tijdens de zitting werd uitvoerig stilgestaan bij het feit dat Joó volgens de directie op dezelfde avond dat hij de repetitie van de Vijfde symfonie van Mahler afzegde, in het Duitse Viersen als gastdirigent optrad. Volgens directeur H. van Werkhoven zou Joó die uitvoering al in september 1993 hebben vastgelegd. Joó ontkende elk verband tussen de uitvoering en het niet laten doorgaan van de repetitie.

Volgens mr. Theuws stond al in 1993 vast dat het orkest afwilde van Joó. De twee concertmeesters hadden zich over zijn inzet beklaagd bij de directie. Daarop hadden de ondernemingsraad en de artistieke commissie van het orkest besloten dat wat hun betreft de dirigent kon vertrekken als in 1996 zijn contract afliep. Volgens beide instanties zou de dirigent zijn verantwoordelijkheden niet meer waar maken, zou hij aan vriendjespolitiek doen, stond hij niet meer boven het orkest en was hij te snel tevreden.

Toen Joó echter op 17 januari plotseling de repetitie afzegde was dat voor de directie de aanleiding om hem met onmiddellijke ingang te ontslaan. Volgens zijn advocaat betekent dit ontslag dat Joó's reputatie is stukgemaakt.

Vonnis over veertien dagen.