Ja, daar zijn ervaring en wijsheid nog wel in tel

In Nederland worden bejaarden in een tehuis gestopt. Zij hebben niets meer te zeggen. Nee, dan is het in andere culturen beter. Maar is dit wel zo? De mythe van de ouderverering bij andere culturen.

D. Bartels (1990): Ambon is op Schiphol. Socialisatie, identiteitsontwikkeling en emancipatie bij Molukkers in Nederland. Leiden/Utrecht, Centrum voor Onderzoek van Maatschappelijke Tegenstellingen/Inspraakorgaan Welzijn Molukkers, 2 delen.

K. von Benda-Beckmann en F. Laetemia-Tomatala (1992): De emancipatie van Molukse vrouwen in Nederland. Utrecht, Uitg. Jan van Arkel

De laatste jaren is het aandeel van ouderen in het beroepsleven spectaculair gedaald. Van de mannen tussen de 60 en 65 jaar in Nederland behoort thans amper één derde tot de beroepsbevolking en zelfs dit getal is nog geflatteerd: ook degenen die een werkloosheidsuitkering krijgen in deze leeftijdscategorie zijn erbij gerekend (bij vrouwen is dat percentage nog weer veel lager).

Vijftien jaar geleden werkte van de 60- tot 65-jarige mannen nog ruim de helft. Er zijn hele beroepsgroepen waar de zestigjarige praktisch van het toneel verdwenen is. Het onderwijs in al zijn geledingen is daar een voorbeeld van, en dat is, dunkt mij, géén vooruitgang.

Ook bij politieke functies, tenminste voorzover deze een volledige dagtaak inhouden, valt eenzelfde tendens te bespeuren. Zo is in onze hele parlementaire geschiedenis het aandeel van ouderen in de Tweede Kamer nog nooit zo gering geweest als de laatste acht jaar. En in de nieuwe Kamer, die zich over enkele maanden zal presenteren, zal dat aandeel zeker niet hoger liggen.

Over deze feiten kunnen vriend en vijand het makkelijk eens worden. Scherpe verschillen evenwel zijn er over de vraag naar de vrijwilligheid. De jure gaat het bijna altijd om vrijwillige uittreding, maar is dat ook de facto zo? In de literatuur staan hier twee standpunten onverzoenlijk tegenover elkaar: de theorie die zegt dat ouderen, ook tegen hun zin, uitgestoten worden, versus de theorie die inhoudt dat de meesten zich graag en uit eigen beweging uit het actieve leven terugtrekken zodra die mogelijkheid zich voordoet. Terwijl de éne partij VUT-regelingen aanprijst als verlichte sociale politiek, noemt de andere partij zulk een lof het toppunt van huichelarij.

Curieus mengsel

Zoals meestal bij zulke controverses hebben beide partijen gegevens en cijfers bij de hand waarmee ze hun zienswijze kunnen ondersteunen. In vele gevallen is er trouwens sprake van een curieus mengsel van vrijwilligheid en dwang.

Dat er niet zelden subtiele of niet-zo-subtiele drukmiddelen in het spel zijn, valt moeilijk te ontkennen. Ik heb de laatste jaren een kleine verzameling knipsels aangelegd waaruit dat zonneklaar blijkt.

Mijn laatste aanwinst is een berichtje van 10 maart l994 uit de Leidse universiteitskrant Mare. Daar blijkt uit dat de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen de komende jaren 32 formatieplaatsen moet inleveren. Wat te doen? Ik citeer de directeur-beheerder van de faculteit:

'Het is niet onze bedoeling druk uit te oefenen op personeelsleden in de VUT-gerechtigde leeftijd om op te stappen. Maar zij kunnen erop rekenen goed te worden ingelicht over de moeilijke financiële positie van de faculteit, waarbij een beroep zal worden gedaan op hun solidariteit... Het is belangrijk hun duidelijk te maken dat dit soort regelingen [de VUT] ruimte maakt voor een ander beleid dan een bestedingen- of vacaturestop... Stappen al deze kandidaten [!] vervroegd op dan zijn wij goeddeels uit de financiële problemen.' - Je moet dan wel een sterk karakter hebben en een gezond gevoel van eigenwaarde om toch nee te zeggen.

Ouderen van boven de 65 die nog een beroep uitoefenen hebben al helemaal zeldzaamheidswaarde. Sommige beroepsgroepen waarvan de leden het recht hadden tot hun zeventigste aan te blijven (bijvoorbeeld hoogleraren) hebben dat recht intussen verloren; ziekenfondsen gaan geen contract meer aan met personen van 65 jaar of ouder in medische of paramedische beroepen; over Hans van Mierlo staan nu al bekommerde stukjes in de krant waarvan de strekking is dat hij, gezien zijn leeftijd (hij is vooraan in de zestig) als actief politicus nog maar een paar jaar mee kan. Kortom, de leeftijd van 65 als slagboom voor alle beroepen en ambten is nu bijkans een voldongen feit. Nog in de jaren twintig van deze eeuw was dat anders: van de mannen boven de 65 was toen nog bijna de helft economisch actief. Was dat een vloek of een zegen? Daarover laat zich heel verschillend denken.

Waardering

In de gerontologische literatuur wordt de positie van bejaarden in de moderne tijd ('onze tijd') vaak vergeleken met die in, zoals men het noemt, pre-industriële of pre-moderne samenlevingen. De strekking van een dergelijke vergelijking is bijna altijd dat bejaarden (ouderen) in onze tijd er duchtig op achteruit gegaan zijn.

Die opvatting heeft alles te maken met het zoëven geschetste verdwijnen van ouderen uit het beroepsleven en de politiek. Men ontkent niet dat ouderen het in onze tijd door de bank genomen in materiële zin beter hebben dan vroeger. Nee, het zou gaan om het verlies van waardering, aanzien en zeggenschap. In de pre-moderne samenleving, waar ook ter wereld - zo is de gedachte - namen de oudsten de centrale plaats in. Weliswaar lieten zij het uitvoerende werk meestal over aan jongeren, maar zij hielden het toezicht en namen de beslissingen of speelden toch minstens de rol van gerespecteerde raadgever. Ervaring en wijsheid telden nog.

Als voorbeeld kan de weersvoorspelling dienen: gingen vissers en boeren daarvoor vroeger te rade bij een grijsaard met veel in de praktijk vergaarde kennis, tegenwoordig hebben ze het KNMI. Onze bejaarden, zo nog altijd deze redenering, staan juist overal buiten, zij hebben een 'role-less role', bij hen doet zich een proces van vervreemding en vereenzaming voor. Oud zijn is een probléém en niet - gelijk in die andere samenlevingen - de bekroning van het leven.

Wat te zeggen van deze gedachtengang? Er zijn wel gevallen te vinden die hieraan min of meer beantwoorden. Zo schrijft Bartels (1990) over de traditionele samenleving op de Molukken: 'Zelfs mensen van middelbare leeftijd moeten nog respect betonen voor de orang orang tua, de oudsten, die niet alleen meestal de voornaamste posities bekleden, maar ook geacht worden de wijsheid te bezitten die met de jaren komt. Daarom vraagt men mensen van boven de zestig om raad op alle terreinen des levens en, belangrijkste punt, zij worden geacht kenner te zijn en autoriteit bij uitstek als het gaat om adat-zaken. Men legt zich bij hun beslissingen neer, morrend misschien, maar toch. Dichtbij het hiernamaals als zijzelf zijn, kunnen zij zich het gezag van de voorouders toeëigenen: de vrees voor bovennatuurlijke sancties versterkt hun positie niet weinig.'

Te ideaal

In het algemeen echter dient de gegeven voorstelling van zaken als te romantisch en in strijd met de werkelijkheid te worden afgewezen. Zelfs in een samenleving als de traditioneel Molukse, waar ouderen inderdaad een sterke positie innamen, is het geschetste beeld te ideaal van karakter: Bartels geeft zelf voorbeelden van jongeren die het niet lieten bij morren, maar de raad of het bevel van ouderen in de wind sloegen.

Belangrijker nog is het feit dat die zogenaamde pre-moderne maatschappijen bij lange na niet zo uniform zijn als het boven gegeven beeld suggereert. Er zijn ook samenlevingen waar men met het klimmem der jaren beetje bij beetje zijn macht uit handen moet geven en uiteindelijk, ook formeel, al zijn rechten kwijt is en geheel afhankelijk wordt van de welwillendheid der jongeren.

Maar het hoofdbezwaar is het volgende. Wanneer getuigen spreken over de macht en het aanzien van 'de oudsten' in een samenleving, blijkt veelal bij nauwkeuriger toezien, dat zij bedoelen: ouderen zolang die nog in de kracht van hun leven zijn. Vaak mensen van in de vijftig of nog jonger. Bejaarden die geestelijk of lichamelijk achteruitgaan, treft vaak een erbarmelijk lot. In een studie over 42 samenlevingen blijkt dat in minstens 19 ervan gebrekkige bejaarden verwaarloosd worden; zij krijgen een karig beetje voedsel en worden bij ziekte niet verzorgd. Ik zeg: 'minstens 19', want ook op dit punt moet de onderzoeker bedacht zijn op een verschil tussen norm en werkelijkheid. Mensen beweren vaak te goeder trouw dat zij hun ouden van dagen uitstekend verzorgen, ook al mankeert daar in de praktijk van alles aan.

Voor veel Molukkers in Nederland is het feit dat wij onze ouders als zij gebrekkig worden in een bejaardenhuis onderbrengen ('wegstoppen') het definitieve bewijs van het kille karakter der Nederlandse maatschappij. Op de Molukken, zeggen zij, is het goed gebruik dat de mensen zelf hun ouders tot hun dood liefderijk verplegen.

In een recente studie over Molukse vrouwen in Nederland beschrijven de auteurs Molukse vrouwen uit Nederland die met vakantie gaan naar de Molukken en laten zij zien hoe onthutst deze zijn over de toestand zoals die op dit punt werkelijk is. Eén van hun gesprekspartners vertelt over een oude man die bedlegerig was en waar niemand zich om bekommerde: 'Hij lag maar in zijn vuil in zijn eigen kamertje...Omdat niemand tijd en aandacht voor hem had, vereenzaamde hij verschrikkelijk.' Hij overlaadde haar met zegeningen voor de zorg die zij hem gaf. Het ontroerde haar diep en zij heeft er 'heel erg om moeten huilen.'

Het is veelzeggend dat in veel traditionele of tribale samenlevingen zeer oude mensen - of wat men daar zeer oud vindt - voor heks worden gehouden, vrouwen, maar ook mannen. Blijkbaar, zo is de gedachte bij leden van zo'n samenleving, beschikken de betrokkenen over kwalijke bovennatuurlijke krachten dat zij zich zo lang in leven weten te houden.

Idealisering

Er is aanleiding genoeg om onvrede te hebben met de positie van ouderen in onze samenleving. Bij velen leidt dat tot idealisering van de toestand zoals die vroeger was of elders is. Wij doen er goed aan door geduldig en onbevangen onderzoek een waarheidsgetrouw beeld op te bouwen van de plaats die ouderen innemen in het hier en nu (zo waarheidsgetrouw als menselijkerwijs mogelijk is).

Willen wij dit beeld in het juiste licht zien, dan moeten wij het vergelijken met een al even waarheidsgetrouw beeld van hoe de situatie in andere typen samenlevingen is. Om te besluiten met een toepasselijk citaat uit lang vervlogen dagen: 'Niemand is ermee gebaat om de mensheid in het heden of verleden mooier te zien dan ze is of was.'

    • A.J.F. Köbben