INTERREGIONAAL RECHERCHETEAM; Slepende competentiestrijd

Het Interregionaal Rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT) werd eind jaren tachtig opgericht ter bestrijding van de zware, georganiseerde m. Uit rapporten van de politie was gebleken dat criminele organisaties hun miljoenen-omzetten uit de drugshandel investeerden in de legale economie. De politie slaagde er niet in door te dringen tot de top van deze groepen. Ook waren er aanwijzingen dat de misdaadbestrijding werd gehinderd door 'lekken', met name bij de hoofdstedelijke politie.

Eind 1987 begon het overleg over de oprichting van een aparte recherchedienst die los van de diverse gemeentelijke korpsen zou operen. Alle politiekorpsen in de regio zouden één procent van de sterkte inleveren om het IRT te bemannen en te bekostigen. Eind 1988 werd onder leiding van de toenmalige procureur-generaal J. de Ruiter met de vorming van het IRT begonnen.

Een rijkspolitieman, K. de Maat, werd aangetrokken voor de logistieke voorbereiding van het team. Al bij zijn komst deden geruchten de ronde die het IRT in een kwaad daglicht stelden. De Maat onderhield dubieuze contacten met een koppelbaas, zo stelde de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) in een rapport vast. De Maat bleef een jaar bij het IRT.

In de loop van 1989 bereikten de korpschefs van Amsterdam en Utrecht, Nordholt en Wiarda, overeenstemming over de supervisie van het IRT. Utrecht verwierf de leiding van het team in de persoon van commissaris B. van Baarle en hoofdinsepcteur T. Lith. In het Amsterdamse korps werd dit morrend aanvaard en gezien als een overwinning van 'de boeren'.

Door slepende onderhandelingen met de politiebonden over het uitbetalen van overuren kon het team pas in 1991 daadwerkelijk beginnen met de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Het team werd bemand door mensen uit de regio's Zaanstreek / Waterland, Kennemerland, Utrecht, Gooi- en Vechtstreek, Amsterdam / Amstelland en Noord-Holland Noord. Vanuit een geheim onderkomen in Amsterdam gingen bijna negentig rechercheurs van criminele inlichtingendiensten, observanten, telefoon-tappers, operationele rechercheurs en analisten aan de slag. Binnen het team heerste het 'need to know'-principe: informatie werd zo min mogelijk onderling uitgewisseld.

In juni 1991 werd de Amsterdamse drugshandelaar Klaas Bruinsma vermoord. Het was het IRT tot dan toe niet gelukt in zijn organisatie door te dringen, terwijl die als een belangrijk doelwit van het IRT werd gezien. In het dagblad Het Parool uitte de Amsterdamse politieman B. Driessen zware kritiek op het IRT. Inmiddels was procureur-generaal De Ruiter als hoofdverantwoordelijke voor het IRT opgevolgd door R. van Randwijck.

Begin 1992 kwam het IRT met haar eerste succes. Met een omvangrijke actie ontmantelde de politie de grootste bende het gebied van chemische drugs die tot dan toe in Nederland had geopereerd. Er werd onder meer beslag gelegd op partijen XTC en amfetamine ter waarde van honderden miljoenen guldens.

In de loop van 1992 staken competentiegeschillen met het Amsterdamse korps weer de kop op. De IRT-leiding raakte in conflict met de Amsterdamse recherche over de uitwisseling van informatie. IRT-leider Lith trof het verwijt dat hij een onderzoek van het Amsterdamse korps bewust had gefrustreerd. De rijksrecherche begon een onderzoek tegen hem. De Amsterdamse hoofdofficier J. Vrakking eiste het vertrek van Lith.

Juli 1993 besloten de Amsterdamse commissaris Nordholt en de Amsterdamse hoofdofficier Vrakking alsnog de supervisie van het IRT naar Amsterdam over te hevelen. De Amsterdamse commissaris J. van Riessen kreeg de leiding, de Utrechtse hoofdinspecteur Lith vertrok. Toen de Amsterdamse opvolger van Lith, hoofdinspecteur Van Kastel, een inventaris maakte van het werk van het IRT, sloeg hij alarm.

Begin december 1993 werd het team door de Amsterdamse driehoek opgeheven. De Amsterdamse korpschef E. Nordholt, hoofdofficer J. Vrakking en de toenmalige burgemeester E. van Thijn lieten een persbericht uitgaan. Daarin maakten zij bekend dat hen, sinds de leiding van het team per 1 juni 1993 in hun handen was gekomen, was “gebleken dat reeds gedurende een periode van ongeveer twee jaar een werkmethodiek werd toegepast” waarvoor men “geen verantwoording willen dragen”. De gewraakte methode zou hebben bestaan uit het laten infiltreren van een informant in een organisatie die werd geleid door de tweede man uit de organisatie van drugshandelaar Klaas Bruinsma.

De Utrechtse hoofdcommissaris J. Wiarda reageerde furieus. In zijn visie was de werkelijke reden van de Amsterdamse politieleiding om het IRT op te heffen niet het 'runnen van een informant', maar wist het IRT teveel over corruptie binnen het hoofdstedelijke korps. Ook de top van het Amsterdamse korps zou daarmee zijn 'geïnfecteerd', zo liet hij in een vertrouwelijk gesprek met minister Hirsch Ballin (justitie) weten.

Op 22 januari lekten Wiarda's beschuldigingen uit naar de pers. Ook voorzitter H. van Duijn van de Nederlandse Politiebond verweet Amsterdam corruptie en stelde dat met de snelle opheffing van het IRT mensenlevens in gevaar waren gebracht. De Amsterdamse korpschef Nordholt belegde daarop een persconferentie, waarin hij de beschuldingen “infaam” noemde. Een openlijke rel tusen de korpschef was nu een feit. De rijksrecherche stelde een onderzoek in naar corruptie binnen het Amsterdamse korps, maar dat leverde niets op.

Op 27 januari ontkenden de 'politieminsters' Hirsch Ballin (justitie) en E. van Thijn (binnenlandse zaken), die inmiddels de overleden I. Dales was opgevolgd, in de Tweede Kamer dat corruptie een rol had gespeeld bij de opheffing van het IRT. Een onderzoek door een onafhankelijke commissie werd aangekondigd. Die commissie kwam onder leiding te staan van burgemeester Wierenga van Enschede.