Imago van misdaadbestrijder Hirsch Ballin is aangetast

DEN HAAG, 24 MAART. Minister Hirsch Ballin (justitie) heeft het moment nogal ongelukkig gekozen. Uitgerekend nu hij alle energie nodig heeft om politiek te overleven, ligt de bewindsman thuis op een plank. Bij het vooroverbuigen naar een kopje koffie op zijn ministeriële werkkamer, vorige week woensdag, schoot de kramp in zijn rug. Na een omweg via een Haags ziekenhuis kreeg de minister thuis in Tilburg van zijn huisarts te horen dat hij minimaal drie weken plat moet liggen. Na enig onderhandelen wist Hirsch Ballin die termijn terug te brengen tot acht dagen. Maar voorlopig wijst niets erop dat hij snel weer aan het werk kan.

Als het aan de VVD ligt, hoeft hij helemaal nooit meer naar Den Haag te komen. Het liberale Kamerlid Dijkstal eiste gisteravond al zijn aftreden. Het is niet uitgesloten dat meer partijen het standpunt van de VVD zullen volgen. Uit het vanmorgen gepresenteerde rapport van de commisie-Wierenga blijkt dat het openbaar ministerie (OM) in het ressort Amsterdam een dubieuze rol heeft gespeeld bij het opheffen van de politiesamenwerking tussen Utrecht en Noord-Holland.

Daarmee heeft het imago van minister Hirsch Ballin, die verantwoordelijk is voor het OM, in korte tijd een flinke deuk opgelopen. De staatsrechtgeleerde maakte furore als een hardwerkende, serieuze en integere bewindsman die vooral met een lawine aan wettelijke maatregelen de misdaad te lijf ging. Maar uit een reeks krantepublikaties van de afgelopen maanden is duidelijk geworden dat de misdaadbestrijding in de praktijk op vele fronten mislukt. Die onthullingen en het forse verlies van zijn partij, het CDA, bij de recente gemeenteraadsverkiezingen hebben Hirsch Ballin, aldus naaste medewerkers, fysiek geveld.

In hun werkkamer in het gebouw van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) hebben de leden van de commissie-Wierenga in de afgelopen twee maanden 53 betrokkenen verhoord. Voorzitter Wierenga zei vanochtend dat zijn commissie geen oordeel heeft geformuleerd over de handelwijze van de betrokken bewindslieden Hirsch Ballin en Van Thijn. Ook al concludeert de commissie-Wierenga nergens met zoveel woorden dat het departement van justitie heeft gefaald bij het toezicht op het IRT, het eigen openbaar ministerie van justitie blijkt wel in alle opzichten tekort te zijn geschoten. En dat is extra pijnlijk voor minister Hirsch Ballin: in de afgelopen jaren heeft hij veel ophef gemaakt met zijn verklaring dat hij officieren van justitie niet zo zeer beschouwt als onafhankelijke magistraten, maar veeleer als medewerkers van een departementale buitendienst. Een minister die het OM zo nadrukkelijk als zijn eigen apparaat omarmt, loopt nu het risico te worden afgerekend op het armoedige functioneren van - in ieder geval - de top van de staande magistratuur.

Maar er is een schrale troost voor Hirsch Ballin. Geen van de hoofdrolspelers zal het rapport-Wierenga (twee dikke delen) na lezing opgewekt kunnen dichtslaan. Ook minister Van Thijn van binnenlandse zaken kan de nodige kritiek verwachten. In zijn vorige functie van burgemeester/ korpsbeheerder in Amsterdam heeft hij slechts op grote afstand toezicht gehouden op het opereren van de Amsterdamse politie, zo blijkt uit het rapport. Van Thijn liet in feite alles over aan hoofdcommissaris Nordholt, die op zijn beurt in de IRT-zaak vertrouwde op het werk van zijn hoofd van de afdeling justitiële bedrijfsvoering, commissaris Van Riessen. Wierenga nam dit Van Thijn vanochtend niet kwalijk omdat een burgemeester van Amsterdam “nogal een klus voor zijn kiezen heeft” en niet ook nog nadrukkelijk op het werk van zijn agenten kan toezien.

Van Thijn was wel heel nadrukkelijk betrokken bij de verspreiding, op 7 december 1993, van het persbericht waarin hij samen met Nordholt en officier van justitie Vrakking schriftelijk bekendmaakte dat het IRT werd ontbonden. Het persbericht bevat volgens Wierenga drie onjuiste bestanddelen. Er staat dat het politieteam al twee jaar een werkmethodiek toepaste waarvoor justitie geen verantwoording wilde dragen. In werkelijkheid ging het om het 'runnen' (begeleiden) van een informant waarmee pas 11 maanden werd gewerkt.

Belangrijker is dat de werkmethode helemaal niet de ware aanleiding was. Amsterdam, en vooral Vrakking en Nordholt, wilde hoe dan ook niet langer samenwerken met andere korpsen. Wierenga noemde het vanochtend ook een 'domme' beslissing. “Als een werkmethode onjuist is, schaf je die af. Maar dan hef je toch niet een heel team op.”

Ten slotte zegt het persbericht dat het ontbinden van het politieteam gebeurde in goed overleg met de betrokken ministers. Ook dat was niet juist. Afgesproken was met de bewindslieden dat de top van de Amsterdamse politie en het OM zouden bekijken hoe het IRT-team zou kunnen worden gereorganiseerd. Hirsch Ballin heeft tegenover de commissie verklaard dat hem duidelijk was dat het persbericht “als een bom moest inslaan, terwijl ik een schriftelijk voorstel verwachtte”.

Curieus is nog dat Vrakking bij het versturen van de fax met het persbericht zijn procureur-generaal passeerde en ook zijn eigen Amsterdamse IRT-officier, Van Capelle, negeerde die naar eigen zeggen “wit wegtrok” toen hij erover vernam. De positie van Vrakking is hiermee ter discussie gekomen. Crimineel Nederland kan concluderen dat ministers, korpschefs en officieren van justitie even geen tijd hebben voor de misdaadbestrijding.