Frans Ankone: 'visual director' van de New York Times Magazine

Ooit werd hij vanwege zijn kleren van school gestuurd. Nu geniet hij een internationale reputatie op mode-gebied. Ankoné maakte op reis van Milaan naar New York even een tussenstop in Amsterdam.

Vanuit zijn kantoor met vier ramen op de achtste verdieping op Times Square kijkt hij uit over de stad waar hij eigenlijk nooit wilde wonen. “Ze vinden in Amerika iets gauw extravagant”, zegt Frans Ankoné. Toch is Ankoné (46) juist om zijn extravagante visie op mode vanuit Europa naar de Verenigde Staten gehaald. Sinds 1 januari is hij visual director for fashion and style bij The New York Times Magazine. Daarvoor werkte hij jarenlang onder meer als moderedacteur bij de Avenue en bij de Duitse Vogue. In Milaan werkte hij vijf jaar als visueel coördinator bij Romeo Gigli.

Met Hollandse nuchterheid, een kameleontisch vermogen zich aan te passen aan vreemde situaties en een fanatiek geloof in succes tot het tegendeel bewezen is, produceert Ankoné modereportages die opvallen door context en sfeer. Je moet de kijker een perspectief bieden en niet alleen maar plaatjes met kleren laten zien, vindt hij. Mode-journalisten, ook Amerikaanse, gaan weinig creatief om met nieuwe ontwikkelingen in de mode. Men schrijft de gebruikelijke teksten bij de gebruikelijke plaatjes. “Showfoto's-met-een-verhaal”, noemt hij dat. Dit wil hij bij The New York Times Magazine - oplage twee miljoen - veranderen. Mode mag wat hem betreft meer intellectualistisch worden benaderd. “Holly Brubach, style-editor van The New York Times Magazine, en ik willen schrijvers aantrekken die mode belichten als een vorm van cultuur.”

Als mode wel eens als onbenullig wordt afgedaan, ligt dat onder andere aan het gebrek aan visie bij de pers. “Suzy Menkes van de Herald Tribune is een uitzondering. Zij is serieus, gaat naar alle shows toe, ook die van jonge en onbekende ontwerpers. Te veel journalisten missen die know-how, ze bekijken shows vanuit zichzelf. Ze willen kleding zien die ze zelf aankunnen, maar op een show vinden ze dat dan weer te normaal. En als het wèl uitgesproken mode is, moet het eerst door anderen worden gewaardeerd voordat ze het goed durven vinden.”

Ankoné's modegevoel manifesteerde zich al op de middelbare school in Arnhem, waar hij van school werd gestuurd om zijn zwarte kleren. Zijn moeder reageerde: “'t Is schoon, 't is heel, dus netjes!” Zijn kleurgevoel perfectioneerde hij later, onder andere bij Romeo Gigli, 'de poëet der ontwerpers'. In een groep modeprofessionals met hun uniforme voorkeur voor zwart valt Ankoné snel op. Niet door de buitenissige snit van zijn kleding, maar door zijn zorgvuldige, niet direct voor de hand liggende kleurcomposities en de kwaliteit van de stof.

Als je als moderedacteur een eigen signatuur wilt krijgen, volg je niet wat de ontwerpers doen, je zet tegelijk met hen je antennes uit, op hetzelfde niveau, en ontwikkelt je eigen visie op het komend seizoen. “Pas als je een sterk idee hebt, kun je dat overbrengen op een fotograaf. Ik denk altijd aan een serie als resultaat in het blad, niet aan losse foto's.”

De samenwerking met grote fotografen is niet altijd eenvoudig. “De eerste produkties vallen mij altijd tegen. Het is een wisselwerking, vertrouwen moet wederzijds groeien. Pas na een aantal series samen onstaat er iets dat uitstijgt boven wat ieder op zichzelf kan doen.” Zo'n samenwerking bouwde hij op met Maarten Schets en met de modeontwerper/fotograaf Thierry Mugler. “Maarten ontmoette ik op het goede moment. Omdat we onervaren waren, voorzagen we nooit eventuele problemen. Dus begon je aan dingen die je nu nooit meer zou doen. De modereportages bijvoorbeeld die we met Linda Spierings als model bijna tien jaar geleden in China maakten en in India.”

Met Thierry Mugler steeg hij tot eenzame hoogten: de ijsbergen in Groenland, de zandduinen en rotsformaties in de Sahara en de toppen van wolkenkrabbers in New York. “Daar vond ik dat we de grens bereikt hadden. Ik moest de modellen vasthouden zonder in beeld te komen, van achter een goot of torentje.”

Inspiratie put Ankoné uit opera's, tentoonstellingen of boeken. Lang voordat anderen dat deden, produceerde hij al reportages à la Maria Callas - Ankoné vroeg zich af wat Maria Callas zou hebben gekozen uit het mode-aanbod. Lang voordat de Frida Kahlo-rage in West-Europa losbarstte, maakte hij al een produktie in het huis van Kahlo bij Mexico City.

Maar ook de mode zorgt na 'jaren van saaie basics' weer voor inspiratie. “De jonge ontwerpers zijn bezig met de coupe. Ontwerpers als Yohji Yamamoto en Comme des Garçons experimenteren met technieken en stoffen die belangrijker zijn dan silhouet of vorm. Jean-Paul Gaultier doet geweldige dingen met styling, met elementen uit allerlei culturen. Ik heb het gevoel dat iedereen zich aan het afzetten is tegen die risicoloze kleren. Mensen krijgen weer zin om zelf met kleding te experimenteren.”

De reden voor Ankoné om naar New York te gaan is dat hij daar kan werken met grote fotografen als Sarah Moon, David Seidner, Paolo Roversi en Xavier Valhonrath. Maar hij blijft 'zeer Europees'. “Ik mis het kleine straatje, het parkje. De romantiek van New York moet ik nog ontdekken. Hoewel ik woon in een loft in Soho, ligt mijn hart aan het Singel in Amsterdam.”