Fragment

Op 30 november 1987 wandelde ik met Rekel en Hans Hoenjet door de Hatertse Vennen. Het was mooi weer, we hadden een goed gesprek. Als ik me niet vergis zijn we ook nog even naar Arnhem gereden. Toen ik thuiskwam lag de krant al op de mat.

Daarna (uit Een jaar in scherven): 'Carmiggelt overleden. Mijn grootmoeder van moederskant heette Carmiggelt. Op grond van zijn neus werd Simon tot de familie gerekend. Ik heb hem daar eens over aangesproken; hij achtte elke relatie, hoe vaag ook, uitgesloten. Misschien was hij bang dat ik het op de erfenis had voorzien. Op de laatste foto's is hij sprekend Ome Rinus.'

Laatst heb ik dit nog eens voorgelezen aan een zaal. Sommigen beginnen dan te lachen, anderen vragen zich af of dat niet ongepast is. Bij elkaar levert dat precies het soort twijfel op waar ik van hou.

In de pauze kwam een punkachtig meisje naar me toe. Hoewel, ze kan wel bijna dertig zijn geweest.

“Leuk”, zei ze. “Dat stukje. Over die man. Die dacht dat u het op zijn erfenis had voorzien.”

Ik vond het een vreemde manier van zeggen, maar het duurde een tijdje voordat ik begreep waarom. Toen drong tot me door dat dat meisje niet wist wie Carmiggelt was en dat er steeds meer van die meisjes zouden komen, en dat ik steeds minder zin zou hebben om het uit te leggen. En aan het eind van deze gedachtengang wachtte ons een welverdiende vergetelheid.

    • Koos van Zomeren