Er was geen Noordnederlandse schilderkunst voor Noordnederland bestond; Rijksmuseum houdt fabel in ere

Albert Blankert blijft zich verzetten tegen “het schots en scheve perspectief van de huidige landgrens” in de inmiddels beëindigde, veelgeprezen tentoonstelling Dageraad der Gouden Eeuw in het Rijksmuseum. Er is volgens hem geen excuus om de historische werkelijkheid te negeren.

Wouter Kloek vertelt in NRC Handelsblad van 14 maart over de Dageraad der Gouden Eeuw in het Rijksmuseum. Hij reageert op mijn bezwaar dat het onderwerp van die tentoonstelling en haar voorlopers niet werd waargemaakt en ook niet waar te maken is. 'Noordnederland' bestond nog niet, zo betoogde ik. Er bestonden zeventien provincies van één Nederland, samen ongeveer het huidige Nederland en België. Kloek vindt mijn bezwaren misplaatst. “We zijn”, legt deze samensteller van de Dageraad uit: “niet uitgegaan van een kunsthistorisch raamwerk.” Niettemin was het toch weer wèl: “een kunsthistorische en geen historische tentoonstelling. Het gaat om prachtige schilderijen”.

Als ons de historie van iets getoond wordt (of het nu is van kunst, Engeland of de automobiel), dan willen we van zo'n geschiedenis dat het uitgangspunt duidelijk is en blijft en dat de details kloppen. Het lijkt of Kloek meent dat dit minder telt als het om 'prachtige schilderijen' gaat. Alsof als een zaak 'prachtig' is, de historicus ervan net zo'n grote artistieke vrijheid heeft als de kunstenaar. Dan moet er veel ingehaald, want kunstgeschiedenis die zo vrij is als de moderne kunst, moet nog worden uitgevonden.

Surrealistisch oogt zijn uitleg dat de expositie Middeleeuwse kunst der noordelijke Nederlanden in 1958 was bedoeld om de samenhang te demonstreren “tussen kunstwerken die grotendeels zijn ontstaan in Holland en Utrecht”. De mooie Gelderse miniaturen, Zwolse prenten etcetera op de tentoonstelling toen, komen nu alsnog in de lucht te hangen. Kloek noemt de zestiende-eeuwers Lucas van Leyden en de Utrechter Van Scorel 'provinciaaltjes': een expressionistische mistekening. Leiden en Utrecht waren toen geen provincie, maar lagen tamelijk centraal in het rijkste en meest verstedelijkte land ter wereld. Het was, na Italië, ook het belangrijkste cultuurgebied.

Over de zeventiende eeuw heet het: “Voor Blankert eindigt de Tachtigjarige Oorlog nog steeds in 1648.” Voor wie niet, behalve voor de nu post-moderne Kloek? Hij legt uit: “De Unie van Utrecht dateert van 1579 en dat is het nog onbedoelde begin geweest van de scheiding van noord en zuid.” Aan die Unie van Utrecht namen ook vrijwel heel Vlaanderen en Brabant deel, met Antwerpen en Brussel. Kloek weet zeker dat het Rijksmuseum “niet door politieke verlangens [werd] gestuurd”. Dan was het een automatisme waardoor Antwerpen op de tentoonstelling werd genegeerd en in Kloeks artikel zelfs gedenigreerd: “het seriewerk, zoals dat [in Antwerpen] werd afgeleverd door de ateliers van [onder andere] Jan Brueghel [staat] tamelijk ver af van de kunst van de Noordnederlandse meesters.” Maar de bloemstukken op de Dageraad waren varianten op en eerbewijs aan het bloemstilleven, dat Jan Brueghel vanaf 1605 in Antwerpen creëerde en tot raffinement bracht.

De Scheldemond naar Antwerpen was gesloten, maar de artistieke creativiteit verstikte daar niet. Van het door Kloek geroemde 'simpele Hollandse landschap' zijn de meest directe voorlopers de landschapjes van dezelfde Brueghel. Maar die 'Belg' was niet op de Dageraad.

Kloek noemt een wèl getoonde tapijtreeks, waarmee Zeeland circa 1600 zijn recente wapenfeiten herdacht. Nadien deden de Staten Generaal er een schepje bovenop. Van hun eigen opstand vonden zij een 1500 jaar oude voorloper: 'De opstand der Bataven tegen de Romeinen'. Die lieten zij afbeelden door Otto van Veen in twaalf schilderijen. Bij de Dageraad komen ze alleen in de inleiding voor: “It is something of a surprise that the States-General opted for an artist who had chosen Brussels over Leiden [Van Veens geboorteplaats] as his residence, and Catholicism over Protestantism as his religion.”

Voor die Staten Generaal zou het een grotere surprise zijn geweest dat eens in hun land Brussel niet zou meetellen. Hadden ze, net als het Rijksmuseum, hun 'Noordnederlanders' liever in Praag dan in 'België' moeten opsnorren? En 'Catholicism'? De ontwerper van die Zeeuwse tapijtreeks, Hendrick Vroom, was tenminste zo katholiek als Van Veen. Kieskeurig zijn kon niet: de protestantisering van de republiek was nog maar net begonnen.

De tweedeling van het oude Nederland ontstond pas vanaf het Twaalfjarig bestand van 1609-1621, aan het slot van de periode van de Dageraad. Toen pas vormde zich een schilderkunst die typisch 'Noordnederlands' is (naast een even onmiskenbaar 'Zuidnederlandse'). De aanloop ertoe werd op de Dageraad kubistisch getoond. Allerlei facetten kwamen mooi in beeld, maar te fragmentarisch en vanuit het schots en scheve perspectief van de huidige landgrens.

Tegen 1870 werd het verhaal dat Coster in Haarlem de boekdrukkunst uitvond, ontmaskerd als verzinsel. Daarna liet Haarlem wel Costers standbeeld staan, maar staakte de jubelfeesten te zijner gedachtenis. Later ontmaskerde Geyl het verhaal over 'Noordnederlandse schilderkunst' voordat Noordnederland bestond, als een gelijksoortige fabel. Het Rijksmuseum houdt dit verzinsel door dik en dun in ere met grote tentoonstellingen en een verhaal achteraf