Een fijne neus voor de kampen van prehistorische jagers

Voor A.M.Wouters leidde een keverjacht tot een jarenlange carrière als amateur- archeoloog. Het Museon toont een deel van zijn collectie.

Vuistbijlen, slagstenen, krombekstekers, boortjes, schrabbers, klingen, kerfspitsen, disselbijltjes. Ooit werden ze in ons gebied gemaakt door 'primitieve' stammen die niet hebben kunnen bevroeden dat ze millennia later als bezienswaardigheid te kijk zouden liggen in de hal van het Haagse Museon. De daar getoonde artefacten zijn gevonden door A.M. Wouters (78), een bevlogen amateur-archeoloog uit 's Hertogenbosch. Het Haagse Museon heeft in 1992 een verzameling van 20 tot 30.000 prehistorische voorwerpen van hem overgenomen, van de vroegste steentijd tot de bronstijd, en laat nu een klein deel daarvan aan het publiek zien. Het Museon beschouwt de collectie-Wouters als een van de mooiste en meest complete uit die perioden in Nederland. Er bevinden zich veel 'gesloten' vondsten onder, die samen een eenheid vormen. Met als pronkstuk een zeldzame Lyngby-bijl, gemaakt van een rendiergewei waarin kunstig de kop van een sneeuwhoen is uitgesneden.

Vijftig jaar lang wijdde Wouters zich aan de archeologie en verwierf daarmee bekendheid in binnen- en buitenland. Er ontstond zelfs een 'school Wouters'. Ook de manier waarop hij de artefacten uittekende, met gearceerde vlakken, vond navolging. Wouters, van huis uit leraar, had meer hobby's, waaronder tropische vissen, het kweken van cactussen en het verzamelen van kevers. Een keverjacht in 1947 in de buurt van Roermond bepaalde zijn definitieve keuze voor de archeologie. “Op een stuk steen dat uit een mierenhoop stak zag ik een zeldzame goudtor zitten. Toen ik die steen eruit trok bleek het een vuurstenen dolk te zijn. Ik had al over archeologie gepubliceerd, maar toen besloot ik daarmee door te gaan”.

Inmiddels heeft Wouters zo'n 130 publicaties op zijn naam staan en mag hij zich voor het leven correspondent noemen van het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Zijn specialisatie is de oude en midden steentijd, de periode waarin mensen (vuur)stenen werktuigen vervaardigden en jaagden op onder andere rendieren. Er zit veel uit die tijd in de grond, vertelt Wouters, vooral in Brabant en Limburg. Daar vond hij 25 tot 30 plaatsen waar rendierjagers hun gebruiksvoorwerpen hadden achtergelaten. “Op één vindplaats kom je soms wel drie- tot vijfduizend voorwerpen tegen. Rendierjagers trokken van de ene plek naar de andere. In de winter bivakkeerden ze in grotten in de Ardennen, in de lente trokken ze naar Brabant, toen nog een toendravlakte met dwergberken en rendiermos, waar de rendieren hun jongen wierpen. Daar bouwden ze kampen. Als de jonge rendieren vier maanden oud waren trokken de jagers via de rivierdalen achter de dieren aan over de Noordzeevlakte, die toen droog lag. In de herfst, de baltsperiode, keerden mensen en dieren weer terug naar Brabant.”

Door de jaren heen ontwikkelde Wouters een fijne neus voor dergelijke vindplaatsen. “Je krijgt een bepaalde feeling voor het landschap. Mensen zaten vroeger in de buurt van water, bij vennen en langs rivierlopen, want die waren visrijk en het wild kwam er drinken. Als je een ven vindt met daarbij een helling, moet je zoeken aan de warmere zuidkant, waar de zon op staat.”

Wouters is altijd meer geïnteresseerd geweest in de achtergronden van de vondsten dan in de voorwerpen zelf. “Het gaat erom een concentratie van voorwerpen te vinden in een ongestoorde bodemlaag. Dan pas is het wetenschappelijk interessant. Alleen een pijlpunt zegt niets.”

Volgens de Monumentenwet is iedereen verplicht vondsten te melden. Graven mag alleen met toestemming en onder leiding van de desbetreffende autoriteiten, zoals provinciale of stedelijke archeologische diensten, universitaire instituten of de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Wouters meldde zijn vondsten meestal aan het Instituut voor pre- en protohistorie (IPP) in Amsterdam, dat het grootste deel van Brabant onder zijn toezicht heeft, of rechtstreeks aan de ROB. “Materiaal van officiële opgravingen komt voor onderzoek terecht bij de instantie die de opgraving heeft geleid. Maar als je ontdekkingen doet in een gestoord gebied, waar door ploegen, zandzuigen of graven de lagen door elkaar zijn gehutseld, zodat ze niet meer te dateren zijn, kun je vondsten houden, mits de grondeigenaar daarmee instemt.”

De oudste voorwerpen die Wouters heeft gevonden dateren uit 300 tot 200.000 jaar voor Christus, uit het Acheuléen, de vuistbijlencultuur van vóór de laatste ijstijd. Hij vond ze samen met met dr.ir. C.J.H. Franssen in de stuwwallen bij Rhenen. “De ijslagen die hier ongeveer 180.000 jaar voor Christus kwamen waren 2 tot 300 meter dik en werkten als een pers en bulldozer. De grondlagen werden als bevroren schollen door het ijs opgestuwd. Op die plaatsen heeft men later groeven gemaakt voor kalk- en zandsteenwinning. Daardoor heb je de mogelijkheid vrij diepe stuwlagen te bestuderen. Het was voor het eerst dat in Nederland de vuistbijlcultuur werd aangetoond in een laag waarvan ongeveer de juiste ouderdom kon worden bepaald. Maar toen wij dat ontdekten liep juist het proces tegen Tjerk Vermaning, dus vond men het maar niets. Ik heb het veertien keer gemeld bij de ROB, maar er is jarenlang niets mee gedaan. We hebben deskundigen uit Duitsland laten komen die het belang van de vonst bevestigden. Pas veel later heeft men dat hier erkend”.

Uit tentoongestelde brieven in de vitrines van buitenlandse archeologen blijkt dat het niet altijd heeft geboterd tussen de amateur Wouters en sommige uit de professionele wereld. Vooral zijn optreden eind jaren zeventig als getuige à dècharge in het geruchtmakende proces tegen de in 1987 overleden Tjerk Vermaning, zette bij enkelen kwaad bloed. Het proces tegen de Drentse maaimachineslijper Vermaning, wiens vondsten eerst waren toegejuicht maar later werden verguisd als vervalsingen, scheurde ook de wetenschappelijke wereld in twee partijen. Vermaning werd in hoger beroep vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. “Het was een verschrikkelijke tijd”, zegt Wouters die overtuigd is dat Vermanings vondsten echt waren. De negatieve reacties die hemzelf en zijn gezin indertijd troffen, deden hem bijna besluiten de archeologie de rug toe te keren. De affaire zit Wouters nog steeds hoog en hij is vast besloten nog een boek te schrijven waarin de onderste steen over de zaak-Vermaning boven komt.

Collectie-Wouters, Museon, Den Haag, t/m 10 april. di-vr 10-17u, za zo en feestdagen 12-17u.

    • Gerda Telgenhof