'Duitsers horen niet in Normandië'

BONN, 24 MAART. Dat was dus gisteren weer echt Helmut Kohl. Heel Europa vraagt zich al weken af hoe dat toch zit met die viering van de vijftigste verjaardag (6 juni) van de geallieerde landing in Normandië. Prangende vragen daaromtrent hebben Duitsers en andere Europeanen bezig gehouden, veel diepzinnigs is er over gezegd en geschreven.

Of de Duitse kanselier wel of niet had moeten worden uitgenodigd, of hij discreet had geprobeerd om (alsnog?) uitgenodigd te raken, of het feit dat hij uiteindelijk niet uitgenodigd bleek schadelijk was voor de Frans-Duitse betrekkingen en dus voor Europa? En wat die man wel niet dacht, dat hij daar echt ook kon gaan staan, op Omaha Beach, tussen de koninginnen Elizabeth en Beatrix en de presidenten Bill Clinton en Francois Mitterrand?

Al die tijd had de kanselier zelf zijn mond gehouden terwijl in de media het ene na het andere verhaal verscheen over zijn geschatte diepste, begrijpelijke of juist heel verkeerde, drijfveren in deze zo gevoelige kwestie. Hij bleef zwijgen toen uit bevriende hoofdsteden min of meer officiële reacties kwamen. Zoals die mooie uit Den Haag van vorige vrijdag: wij hebben nog geen oordeel. Of die van de Franse ambassadeur in Bonn, vorige week dinsdag in een vertrouwelijk gesprek met journalisten: het is geen Frans-Duits probleem maar een probleem tussen Duitsland en de kleinere Europese landen.

Gisteren, de laatste dag voor zijn jaarlijkse paas- en vermageringsvakantie in Oostenrijk (zijn Abspeckurlaub), hield Kohl zijn bij die gelegenheid intussen al even traditionele persconferentie. De kanselier is niet dol op journalisten en zeker niet op veel journalisten tegelijk, maar soms - zoals jaarlijks voor de parlementaire vakantieperiodes - wil zo'n persconferentie wel helpen om duidelijk te maken wie in Bonn bij de CDU en in de coalitie de chef is en wat die chef van een paar zelfgekozen thema's vindt en hoe weinig hij zich opwindt over wat journalisten, al dan niet q.q., nu juist opwindend vinden. Zo was dat ook gisteren.

Kohl bood dus - na een ernstig woord over het geweld van de Koerdische PKK in Duitsland en géén woord over de economie of de werkloosheid - onder meer een uithaal naar de SPD en haar nieuwe verkiezingsprogramma (“niet zo serieus”). En hij stak eventjes de draak met de FDP, die worstelt met de vraag of, en zo ja wanneer, zij zich moet uitspreken voor voortzetting van de coalitie met de CDU/CSU na de Bondsdagverkiezingen van 16 oktober (“De FDP heeft in moeilijke situaties altijd de voor haar juiste partner gekozen, dus ik ben gerust.”).

Daarna kwam hij toe aan het vraagstuk van de zesde juni: “(...) Ik heb nimmer een poging gedaan om een uitnodiging te krijgen en er ook niet een gekregen. Alle andere berichten daarover waren en zijn fantasie. Hierover bestaan geen meningsverschillen met Frankrijk. (...) Ik ben en blijf van mening dat Duitse deelneming niet gepast zou zijn.”

Waarop Kohl vervolgde met nader nieuws in de herdenkingssfeer met een zekere anticlimax-waarde: “(...) President Mitterrand en ik hebben afgesproken dat hij 8 juni naar Heidelberg komt. Daar zullen we met jongeren uit Duitsland en Frankrijk - en uit andere landen - de vriendschap die zich sinds het einde van de oorlog tussen onze landen ontwikkeld heeft en onze gemeenschappelijke inzet voor Europa vieren.” Ook zou Kohl “zich kunnen voorstellen” dat Duitsland in 1995 meedoet aan de viering van de vijftigste verjaardag van de Tweede Wereldoorlog.

Waarom Kohl niet al twee weken geleden een persconferentie heeft gehouden om duidelijk te maken dat hij nooit aan de herdenking in Normandië heeft willen deelnemen, blijft zijn geheim. De kanselier is niet dol op journalisten, en dat is in veel gevallen wederzijds. Na gisteren kan hij er gerust op zijn dat dat nog even zo blijft.

    • J.M. Bik