Auteursrecht 70 jaar na dood auteur is te lang

De ministerraad is, zo konden we onlangs lezen, akkoord gegaan met de verlenging van de auteursrechtelijke bescherming van 50 naar 70 jaar na het overlijden van de maker. De regering, die een daartoe strekkend wetsontwerp zal indienen, conformeert zich daarmee, zo konden we als toelichting vernemen, aan een recente Europese richtlijn.

Het is een belangrijke zaak. Ik beperk me tot de gevolgen voor de terreinen van kunst en cultuur - voor andere terreinen van het intellectuele eigendom kan ik de zaken minder goed overzien. Voor kunst en cultuur geldt dat oeuvres van schrijvers en kunstenaars twintig jaar langer, ongeveer een generatie, onttrokken zullen blijven aan het publieke domein. Edities, publikaties uit een beeldend oeuvre, vertoningen en wat al niet meer, zullen dus langer kunnen worden geblokkeerd of financieel belast.

Het is een belangrijke zaak, en daarom is het opmerkelijk dat tot nog toe geen spoor van publieke discussie kan worden waargenomen, binnen noch buiten het boekenvak. Dat is jammer, want het is niet alleen een belangrijke zaak, de voorgenomen wijziging is ook schadelijk voor het culturele en intellectuele leven. Dat is gebaat bij een vrije behandeling, met gebruikmaking van tekstedities en afbeeldingen, van de nog min of meer tot de eigen tijd behorende, 'modern-klassieke' oeuvres. Laten we ons enkele namen voor de geest halen voor nu en voor Nederland. Mondriaan, Huizinga: ze gaan niet deze jaren maar pas diep in de volgende eeuw tot het publieke domein behoren. Ter Braak, Du Perron: ze kwamen begin 1991 vrij, maar vallen nu weer weg uit het publieke domein, tot het jaar 2010.

Laten we eens ingaan op Mondriaan. Ik weet van twee uitgevers dat ze plannen hadden voor een Mondriaan-monografie in 1995, uiteraard met illustraties. Ze hebben, nu de rechten voor Mondriaan niet op 1 januari 1995 vrijkomen maar pas in 2015, de voorbereidingen moeten staken. De aanspraken van de kant van de Stichting Beeldrecht en van de ervan in Brooklyn Heights zouden te zwaar drukken.

Ik zou wel eens willen weten hoe in Den Haag de belangen in dezen worden afgewogen. Wegen de belangen van achterkleinkinderen en achterneven en -nichten, van literaire erfgenamen, van oorspronkelijke uitgevers, van auteursrechtbeheerders zoals de Stichting Beeldrecht, op tegen de nadelen van deze inperking? Stimuleert de verlenging van de auteursrechtelijke bescherming de produktie? Zal een auteur gretiger schrijven, een schilder gretiger schilderen, een uitgever gretiger een manuscript aanvaarden in de wetenschap dat de bescherming niet 50 maar 70 jaar na de dood van de maker gaat duren? Welke inhoudelijke argumenten, kortom, pleiten voor de voorgenomen inperking van het publieke domein?

Of stel ik hier aan Den Haag slechts nutteloze vragen? Wòrdt er in Den Haag in deze zaak eigenlijk wel een inhoudelijke afweging gemaakt? Of is de Haagse redenering eenvoudig: we zitten nu eenmaal in de EG met landen met een lagere bescherming dan 50 jaar (Duitsland bijvoorbeeld); er moet nu eenmaal worden geharmoniseerd; we zitten nu eenmaal met die Europese richtlijn. Maar dat is nu juist zo ergerlijk: dat specialistische Brusselse circuits buiten elke openbaarheid en zonder een spoor van discussie deze zaken bedisselen, waarna elk land afzonderlijk nu eenmaal moet volgen. Zo wordt Den Haag een bijkantoor waar de resultaten van een ondoordringbare en besloten besluitvorming nog even van een nationaal fiat worden voorzien.

    • Wilfried Uitterhoeve