Angst en verwarring in kiesdistrict Rome 1

Opeens blijkt de oude Romeinse volkswijk veranderd. De stegen met hun vertrouwde verkeersopstoppingen lijken vandaag op de lege zwart-wit plaatjes uit de jaren vijftig. Geen chaos meer voor de kiosk van mannen die per Alfa hun krant komen halen. Geen moeders in blik voor de kleuterschool. “Veel mensen gaan weer lopen. De crisis is echt heel diep”, zegt bakker Dino.

In de kledingzaak op de hoek hangt de mode van het nieuwe seizoen. Ruches en pluches en smaakvol design. Zodra ik de drempel overstap hijgen de winkelmeisjes in mijn nek. Hun schaduw blijft me bij elke stap volgen, alsof iedere klant wel een dief moet zijn.

Tussen de warme ovens van Dino woedt de discussie. “Je had ze moeten ophangen. Al die politici. Ze hebben ons de vernieling ingeholpen”, snerpt de mevrouw met de zwarte snorharen terwijl ze twee broden tegen haar boezem aandrukt. Nee, geef haar dan maar Berlusconi. Die heeft zijn geld als ondernemer tenminste zelf verdiend. De bakker fluit hoog tussen zijn tanden. “Hij is geen grein beter dan al die andere dieven”, zegt Dino, terwijl het meel uit zijn haren wolkt. Maar om nu op links te gaan stemmen... Dat gepraat over 'eerlijk belasting betalen', daar schiet je als middenstander natuurlijk ook niet mee op.

“Weet u hoe het zit?”, onderbreekt de man die roerloos naar het gesprek had staan luisteren. “Stelen doen we allemaal. Zonder diefstal is er geen politiek. Alleen, de oude partijen hebben te véél gestolen. Je moet nu gewoon op iemand stemmen die een béétje steelt.”

Angst, onzekerheid, totale verwarring. Na meer dan vijfenveertig jaar 'regime' bepalen de Italianen aanstaande zondag hun eigen toekomst. De oude politieke partijen bestaan niet meer. Bezweken onder hun eigen corruptie. De geur van verrotting hangt nog over het land. De economie is stukgeplunderd. Maar de tijden van 'een stem voor een gunst, een gunst voor een stem' zijn voorgoed voorbij. Voor het eerst in bijna vijftig jaar is de Italiaanse kiezer niet meer afhankelijk van de 'bedeling' van politici die hun stemmen letterlijk kochten met de behoeften van de burger: een rijbewijs, een invaliditeitsuitkering, een baan voor Giovanni. De nieuwe garde die op de puinhopen van het oude Italië is aangetreden, moet overtuigen op ideeën, programma's, praktische voorstellen.

En opeens is de wijk waar ik tien jaar heb gewoond het strijdtoneel van de mannen van het nieuwe Italië. Hier, in de okerkleurige stegen met druipend wasgoed boven de keien, het eeuwige geklepel van kerken in de lucht. Overal hangt zijn foto. Arrogant, flitsend. Rood, wit, groen. 'Hup Italië', juichen de posters. Juist hier, in kiesdistrict 'Rome 1' heeft mediamagnaat Silvio Berlusconi zich kandidaat gesteld voor het aanvoederschap van het nieuwe, rechtse Italië. “Het blok van de vrijheid”, noemt hij de door hem geleide coalitie van neo-fascisten, separatisten en resten van het oude regime. Zijn eigen partij Hup Italië werd nog geen vier maanden geleden opgericht. Nu al telt de beweging meer dan 12.000 zogeheten 'clubs', partijafdelingen die de campagne voor de verkiezingen voeren.

Het is tien uur 's ochtends. De zon is al warm. Ik ben op weg naar een afspraak met mijn vriendin Mira. Samen zullen we straks gaan kijken hoe de progressieve tegenkandaat van Berlusconi, de huidige minister van economische planning Luigi Spaventa, op de markt campagne voert. “Voor mij is het dit keer geen keus”, had Mira gezegd. “De reclamepraatjes van een beeldbuismuis tegenover de economische programma's van het progressieve blok.”

Ik loop langs de marmeren fontijn, het bloemenvrouwtje op de hoek. Ik heb het allemaal zo gemist. Dan zie ik, midden op piazza Mastai mijn vroegere buurman staan. “Forzaaa Italiaaa.” Zijn echo kaatst tegen de muren van het plein. Nooit had hij een transfer van zijn geliefde voetbalclub Roma gemist. Geen wedstrijd waarvoor hij niet minstens drie uur tevoren aanwezig was. Bruno is een beroepssupporter. Ik herinner me nog hoe hij eens alle deuren en zelfs de brommers in onze straat in de rood-gele kleuren van zijn club had geschilderd. Nu verkoopt hij 'verkiezingskits' voor Hup Italië. Vlaggen, stickers en een videocasssette met een toespraak van 'Hem'. “Meraviglioso”, fantastisch, straalt Bruno. “Al zijn ideeën in een kwartier.” Welke dat zijn weet hij nu even niet meer. In elk geval geen belasting betalen. “Waar het om gaat is dat we die bastardi van een communisten inmaken. Forzaaa Italiaaa!”

Elf uur, half twaalf, kwart over twaalf. Met meer dan een uur vertraging verschijnt eindelijk minister Spaventa. Een pokdalige man in een regenjas. De Romeinse professor is een van de vele niet-partijgebonden wetenschappers en experts die door de coalitie van links op de lijst zijn gezet. Houterig beweegt hij zich tussen de stallen met artisjokken en worsten. Hij schudt handen en luistert afwezig naar de mensen die hem aanklampen. “U moet een baan geven aan mijn zoon”, huilt een mevrouw. “Per favore”. Ze vertelt over haar ontslagen man, haar zwangere dochter die thuis verkommert. “Ik heb een grote familie. Ze zullen u zondag allemaal dankbaar zijn, als u begrijpt wat ik bedoel..” Bijna dreigend staat ze nu voor hem. En Spaventa begrijpt precies wat ze bedoelt. Juist daarom is zijn antwoord onthutsend. “We gaan een werkgelegenheidspolitiek voeren voor iedereen”, zegt Spaventa. “Voor u privé kan ik niets doen.”

Zo vervolgt Spaventa zijn tocht door de buurt. Bij de kruidenier, die altijd boos wordt als klanten hem om een kassabon vragen, praat Spaventa over belasting betalen. In de bar, met de kaartende oude mannen, over een nieuwe huisvestingspolitiek. Vrolijk negeert hij het huisuitzettingsbevel dat een van de mannen voor zijn neus houdt. “Goed zo”, fluisert Mira. “Dit is toch fantastisch. Zo worden we misschien nog eens echte burgers.”

De volgende avond kijk ik naar de kunstig geregisseerde bewegingen waarmee Berlusconi over het scherm van zijn eigen televisiekanaal loopt. Die ochtend had ik op piazza Santa Maria nog op hem gewacht. Hij zou een toespraak komen houden, beloofden de posters. Eindelijk zou ik hem weer eens 'in het echt' kunnen zien. Maar behalve Bruno met zijn vlaggen was er niemand verschenen. Het fenomeen was alweer teruggevlogen naar huis, naar Milaan, waar hij in een zaal voor eigen publiek, met eigen camera's, zijn zoveelste one-man-show opvoerde. Ik kijk naar de losse stappen. Hand in één zak, microfoon in de andere. De noten van de schlager Hup Italië op de achtergrond. Ik luister naar zijn aanval op de rechters die zijn reclamebedrijf van corruptie beschuldigen. “Een complot”, zegt Berlusconi: een aanslag van de communisten. Zoals ook de jongste beschuldigingen van banden met de mafia dat zijn.

Ik kijk naar het gezicht van de man die Italië gaat redden. Het air van een handelsreiziger in tandenborstels. De taal van een waspoederreclame. Steeds moet ik weer denken aan het verhaal dat Mira vertelde. Hoe ze met enveloppen vol geld van het ene naar het andere kantoor was gelopen. Een vrachtwagenrijbewijs, een zwemdiploma en een voldoende voor het examen had ze gekocht. Met een ambtenaar had ze moeten dineren, met een ander hand in hand door het park moeten lopen. Zo had ze de garantie gekocht dat haar zoon volgend jaar een baan bij de brandweer zou krijgen. “Misschien had ik het niet moeten doen”, had Mira gezegd. “Maar het gaat om je kind. Dan moet je toch het zekere voor het onzekere nemen.”