Top Begemann werkte met niet bestaande bank

PAG.20 HCS

AMSTERDAM, 23 MAART. Op de tweede dag van een proces in Amsterdam over mogelijke handel met voorwetenschap in aandelen is de hoofdverdachte, Begemann-president J.A.J. van den Nieuwenhuyzen, beticht van valsheid in geschrifte. Volgens het controlebureau van de Amsterdamse beurs heeft hij op de transactieformulieren niet zijn eigen naam als opdrachtgever vermeld, maar die van een bank die bij navraag niet bleek te bestaan.

De aanklacht wegens valsheid in geschrifte volgt op aanklachten gisteren tegen Van den Nieuwenhuyzen dat hij misbruik had gemaakt van voorkennis bij de handel in aandelen van het failliete automatiseringsconcern HCS èn bovendien misbruik had gemaakt van voorkennis in zijn eigen bedrijf bij de overname van de scheepswerf RDM van de staat.

Getuige H. te Beest van het controlebureau van de beurs vertelde vanochtend dat hij in september een onderzoek startte naar Van den Nieuwenhuyzen omdat hij op 31 juli 1991 onder verdachte omstandigheden een pakket van 4,1 miljoen aandelen van HCS op de markt had gebracht via commissionair Suez. Hij ontdekte dat de opdracht voor de verkoop van de aandelen niet door Van den Nieuwenhuyzen zelf was gegegeven, maar door een zekere Banque Suez Internationale de Luxembourg. Te Beest: “Ik stuurde een brief naar deze bank om nadere informatie en een afschrift naar het Luxemburgse ministerie van financiën. Van die laatste instelling kreeg ik het bericht dat de desbetreffende bank in Luxemburg niet bestaat.”

In antwoord op vragen van rechter Mastboom zei Te Beest dat de bij zo'n aandelentransactie behorende administratie de werkelijke weergave behoort te zijn. Uit de gebruikte facturen moest dus duidelijk worden wat de identiteit van de betrokkene was. Door niet bestaande buitenlandse instellingen te gebruiken wordt de suggestie gewekt dat de identiteit onbekend moest blijven, aldus Te Beest.

De president vroeg daarop aan Van den Nieuwenhuyzen: “U zei tijdens het vooronderzoek: ik wilde herrie in het kippenhok voorkomen. Leg dat eens uit?” Van den Nieuwenhuyzen verdedigde zich door te wijzen op het effect dat hij teweeg zou brengen wanneer beleggers hoorden van zijn aan- en verkopen. “Ik verhandelde in de periode 1988-1992 voor vele honderden miljoenen guldens aandelen op de beurs. Wanneer mensen wisten dat ik bepaalde opdrachten gaf, zouden zij daarvan mee willen profiteren. Als ik een miljoen aandelen Holec kocht, dreigden anderen mee te lopen. Dat moest ik dus voorkomen en daarom gebruikte ik deze methode. Dat mocht destijds ook en pas later kwamen er regels om dit beter te reguleren en daar ben ik nu wel blij mee.”

Na de verklaring van Van den Nieuwenhuyzen laaide tussen het Openbaar Ministerie en de advocaat van Van den Nieuwenhuyzen, mr. L. Spigt, een discussie op, waarbij Spigt betoogde dat zijn cliënt in een vaag regulair klimaat weinig anders kon doen dan hij deed en daarbij geen harde regels overtrad.

Officier van justitie mr. W. van Nierop daarentegen betoogde dat Van den Nieuwenhuyzens gedrag uniek en laakbaar was. Raadsman Spigt: “Volgens een beurscirculaire wordt een aantal zaken pas per 1 april aanstaande voor een aantal financiële instellingen verboden om bepaalde misbruiken van voorkennis te voorkomen. Dat gebeurt dus blijkbaar nogal eens.”

Toen raadsman Spigt de argumentatie van beurstoezichthouder Te Beest onder vuur nam, snauwde de president van de rechtbank de verdediger toe: “En nu moet u gewoon gaan zitten, meneer Spigt, en blijven zitten.” Terwijl diens beide assistenten het woord overnamen, ijsbeerde Van den Nieuwenhuyzens verdediger door de zaal. “En houd uw collega's ook beter in bedwang, meneer Spigt”, riep president Mastboom vervolgens. De zitting die vanmiddag moest eindigen, wordt morgenochtend vroeg voortgezet met het requisitoir van de Officier van Justitie.