Ook fatsoenlijke partijen volgen Janmaat

Het vraagstuk van de immigratie begint de verkiezingscampagnes te domineren.

René Cuperus en Femke Halsema constateren dat de campagne-voerende politici het discours van extreem-rechts hebben overgenomen en roepen op tot politieke correctheid.

Nog niet zo lang geleden keken we vanuit Nederland met een mengeling van superioriteit en verbazing hoe de democratische partijen in de ons omringende landen toegaven aan de druk van oprukkende extreem-rechtse partijen. De electorale en populistische verleiding bleek er te groot, de eigen overtuigingen te wankelmoedig. Nederland leek zich aan deze onverkwikkelijke ontwikkeling te kunnen onttrekken. Onze traditie van tolerantie, ons verfijnd minderhedenbeleid, maar ook de charisma-loze Janmaat en het ontbreken van een opkomstplicht zouden het in Nederland zo'n vaart niet laten lopen.

Na de laatste gemeenteraadsverkiezingen verloor Nederland deze illusie: de electorale doorbraak van CD en CP'86 is een feit. Maar een minstens even grote desillusie is dat een aantal Nederlandse politici en een enkele vakbondsman in een angstige reflex hun oude overtuigingen te grabbel gooien in een 'mea culpa'-offensief voor de ontevreden kiezer. Vooral de positieve discriminatie moet het ontgelden. Ongewild scheert men rakelings langs een van de leerstellingen van extreem-rechts: 'geen discriminatie van de eigen bevolking'.

De voorlopige en treurige conclusie kan niet anders luiden dan dat Janmaats succes verder reikt dan zijn zetelwinst. In reactie op de opkomst van de CD en de groeiende onverdraagzaamheid in het algemeen wordt het complexe vraagstuk van migratie en integratie ook in Nederland meer en meer gereduceerd tot een opsomming van probleemcategorieën buitenlanders. Misbruikmakende asielzoekers, economische vluchtelingen, illegalen, fundamentalistische moslims, criminele allochtone jongeren etcetera. Ongemerkt verschuift de discussie van een voorzichtige erkenning van 'Nederland immigratieland' naar het 'indammen van onhoudbare migratiestromen'.

Het onderscheid tussen nieuwe en gevestigde immigranten, voorbeelden van succesvolle integratie en de koloniale en humanitaire achtergronden van immigratie verdampen in de negatieve beeldvorming in media en politiek. Onbedoeld wordt de indruk gevestigd dat de kleine en grote problemen in de samenleving te wijten zijn aan de aanwezigheid van migranten.

In dit alles schuilt het ware succes van Janmaat en de zijnen: het discours van extreem-rechts dreigt maatgevend te worden voor het denken en spreken over het vraagstuk van migratie en minderheden. Het eendimensionale denken in buitenlanders tegenover Nederlanders, de associatie van migranten met maatschappelijke problemen; ongemerkt worden de publieke uitingen van extreem-rechts - niet het 'verborgen' mengsel van neo-nazisme en racisme waarop deze steunen - het denk- en referentiekader voor de andere politieke partijen.

Zal de komende verkiezingsstrijd in het teken staan van een knieval voor het blanke onbehagen van de CD-stemmers? Capituleren de campagnestrategen voor de politieke agenda-setting van extreem-rechts? De voortekenen zijn niet gunstig. De 'vergissing' van Bolkestein spant voorlopig de kroon en hij bleef niet zonder resultaat. Hoezeer kabinetsleden ook hun heilige verontwaardiging op VVD-leider - 'noem mij geen intellectueel' - Bolkestein richtten, het kabinet greep zijn dramatisering van het migratie-vraagstuk wel dankbaar aan voor drastische beleidsaanpassingen.

Er zijn wel degelijk andere en betere reacties mogelijk op de opkomst van extreem-rechts. Neem de nuchtere, praktische benadering van Gerard de Kleijn, projectleider sociale vernieuwing in Rotterdam (de Volkskrant, 11 maart): “De enige uitweg is het stug volhouden van stadsvernieuwing, sociale vernieuwing, opvang van nieuwkomers, banenpool, wijkbeheer, activerend welzijnswerk, opzoomeren, enzovoort.” Een dergelijk geïntensiveerd integratie- en achterstandsbeleid - hoe belangrijk ook - kan echter niet op zichzelf staan. Het veronderstelt politieke consensus over tenminste de onontkoombare realiteit van de multi-etnische samenleving en Nederland als de facto immigratieland.

Van belang hiervoor is de fundamentele benadering van Ed. van Thijn in een interview in De Groene Amsterdammer (2 maart). Van Thijn herleidt het vraagstuk van migratie en integratie niet tot de migranten. Integendeel, politiek en overheid hebben de hand fors in eigen boezem te steken. Te lang is de indruk gewekt dat migratie slechts iets tijdelijks was en geen normaal verschijnsel, te lang werd daarom de integratie verwaarloosd. Tegenover de suggestieve beeldvorming dat er iets mis is met minderheden, stelt Van Thijn een benadering van het migratie- en integratievraagstuk 'vanuit de grondgedachte van de solidariteit'.

Wij doen een appèl op politici om zich in deze verkiezingstijd teweer te stellen tegen het afbrokkelen van voorheen onomstreden en algemeen gedeelde uitgangspunten. De blijvende aanwezigheid van legaal gevestigde allochtonen moet buiten de politieke discussie blijven, evenals het recht op een menswaardig bestaan en vrijwaring tegen discriminatie. Dat betekent niet dat het migratie- en integratievraagstuk uit de verkiezingsstrijd moet worden gebannen. Politieke twistpunten zijn kwesties als: hoe integratie het meest effectief te bevorderen, door intensievere overheidsinterventie of een versterkt beroep op de eigen verantwoordelijkheid? Of: hoe mondiale verantwoordelijkheid te verzoenen met de grenzen aan de opnamecapaciteit van de Nederlandse verzorgingsstaat?

Wij bepleiten politieke correctheid in de meest letterlijke zin van het woord: de grondgedachte van humaniteit en solidariteit. Van politici - ook of juist in verkiezingstijd - verwachten wij dat zij overeind blijven in de confrontatie met onverdraagzaamheid. Een aardig motto voor de aanstaande verkiezingen is wat ons betreft een citaat van prof. Hoogerwerf: “De grootste uitdaging waar de politiek voor staat is niet de oppervlakkige en eenzijdige modes te volgen, maar denkend vanuit fundamentele dilemma's van politieke waarden de politieke beschaving verder te brengen.”

Als het echt niet anders kan is dat een kloof tussen politiek en burger waard.