Een postkoloniale Max Havelaar

Om misverstanden uit den weg te ruimen, verklaar ik dat de meeningen der SOCIAAL-DEMOCRATEN over de middelen ter verbetering van den treurigen toestand waarin 'n groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, my voorkomen in hoofdzaak ONJUIST te zyn. Multatuli, Rotterdamsch Nieuwsblad, 15 november 1886.

Waar zitten onze jonge schrijvers met hun gedachten? Al bijna anderhalve eeuw geldt Multatuli's debuut als een 'nimmer overtroffen hoogtepunt in de Nederlandse romankunst', en nu doet zich de gelegenheid voor een twintigste-eeuwse Havelaar te scheppen, en waar zijn ze nu, die wakkere boys! Ik zou natuurlijk zelf de (mijn eigen) handschoen kunnen opnemen, ware het niet dat ik al met een handschoen zat opgescheept: van J.L. Borges, die nog niet zo lang geleden zijn collega's all over the world voorhield dat het hoog tijd werd voor een grote anti-oedipale roman over de opstand van de oude mannen tegen de jonge mannen. Hij verstrekte daarbij het beeld van Abraham met het offermes boven een geknevelde Isaäc. Ik zag hardnekkig een verweerde, met pigmentvlekken bezaaide hand voor me, met daarin een pistool, gericht op de gezagvoerder van een Boeing. En ik wist: die bejaarde heren, bestuurders in ruste, zien het oude Europa, waarvan zij ieder hun deel hebben grootgemaakt, naar de gallemieze gaan door de eenheidszucht van een jongere generatie politici. Hun hoge leeftijd weerhoudt hen er niet van tegen deze laatsten een guerrilla te voeren, met inschakeling van alle snufjes van het moderne terrorisme. Door een hypnotiserende zet van Borges ben ik momenteel dus fulltime met Europa bezig, het oude en het nieuwe. Het zou mooi zijn als 'De veteranen' nog voor de verkiezingen van het Europarlement, op 9 juni, verscheen: het zou het boek een kans geven zelf een beetje als sabotagedaad te fungeren.

Liever schreef ik een laat-twintigste-eeuwse, postkoloniale Max Havelaar (of De volksverhuizingen in de Nederlandse maatschappij). Ik wil een denkbeeldige, minder in beslag genomen collega hier graag het concept aan de hand doen, al zal het voor de Kamerverkiezingen van 3 mei wel niet lukken zo'n monsterproject van de grond te krijgen. Geen nood: Multatuli's meesterwerk kwam ook te laat, en ging toch lang mee. Men neme...

Ja, hoor eens, met 'slagen van het noodlot' kan een romancier natuurlijk niets. Een roman schrijven over de Bijlmerramp van 4 oktober 1992? Hoe zou het op een flatblok neerstorten van een onbestuurbaar vrachtvliegtuig ooit het noodzakelijke gevolg van een ontwikkeling kunnen zijn? Hoe zou een dergelijk incident deel kunnen uitmaken van een intrige, anders dan in de gedaante van een navrante en verwerpelijke deus ex machina? Nee, zo'n bijlslag Gods kan alleen als uitgangspunt voor een roman dienen, er de gruwelijke openingsscène van vormen. Wat de verhaalsontwikkeling betreft, zal de schrijver zich moeten richten op de in alle opzichten verbijsterende nasleep van de ramp. Want daar kunnen we niet omheen: één vonkende slag met een uit de hemel neersuizende bijl, en er was - letterlijk - een dwarsdoorsnede ontstaan van een flinkdeels illegale, overbevolkte, allochtone schaduwmaatschappij. In de politieke nawerking van het ongeluk, in onder meer het stuitende 'vreemdenlingendebat', dáár zit een roman in, een contemporaine Max Havelaar - en dan doet het er niet zoveel meer toe of we van Aad Kosto een Droogstoppel maken of van Felix 'Boos Vogelkoppie' Rottenberg diens ghostwriter Stern.

Men neme, bijvoorbeeld, een Ghanees, een Surinamer, een Antilliaan, een beeldschone maar besneden Afrikaanse, nog een Ghanees... en make ze tot hoofdpersonen van een drama, spelend in de schaduwstrook van Neêrlands bedreigde welvaartsmaatschappij. Behalve allerlei vermomde Kosto's en Rottenbergs is er nog een belangrijke blanke bijfiguur: een idealistische sociaal-advocaat, bemiddelaar tussen de slachtoffers en de juridische aasgieren die zich uit de VS opdringen. De Creoolse Surinamer, Danny Goeree-Overflakkee, is mogelijk een ex-rebel uit het junglecommando van Ronnie Brunswijk, met nog andere pijlen op zijn boog. Door de vluchtsprong, voor de vlammen uit, vanaf de flatgalerij raakt hij zijn identiteit kwijt: zijn naam komt op de lijst van vermisten, maar hij meldt zich wijselijk niet, en wordt zo - nou ja, op z'n minst tot martelaar voor zijn voormalige bosmakkers.

Het gaat niet om het verhaal. Wie een Havelaar schrijft, wil politici prikkelen, liever nog beïnvloeden, als het even kan ter verantwoording roepen, of zelfs - het allerhoogste - tot aftreden dwingen. Ik zou de schrijver van De bijlslag (of De pomphouder van Stoelmanseiland) daarom willen aanraden in de context van zijn vertelling het begrip 'tolerantie' opnieuw te ijken. Tolerantie - en dan vooral jegens migranten, asielzoekers - heeft voor mij te zeer de Nederlandse, dus valse, bijklank van 'moet kunnen'; te zeer de Nederlandse, dus laffe, bijsmaak, van 'medemenselijkheid'; te zeer de Nederlandse, dus oneigenlijke, bijbetekenis van 'oogluikend toestaan'. Politieke tegemoetkomendheid met een marge van oogluikend toestaan - dat suggereert, heel geruststellend, een tot in lengte van dagen druppelsgewijze migratie. Een voorstelling van zaken ver bezijden de werkelijkheid. Hele volkeren zijn zich aan het verplaatsen, en voor zover ze dat nog niet lijfelijk doen, dan toch alvast in de geest, met hun voorbereidende wil vooruithollend naar de vruchtbare delta die misschien hun eindbestemming is.

In een dergelijke wereldomspannende situatie dient men de moed op te kunnen brengen het minzame gebaartje van 'tolerantie' te vervangen door zoiets als een fatalistische visie. Men moet zich boven het - schijnbaar nog te bedwingen - eenrichtingsverkeer van vreemdelingen durven verheffen teneinde in vogelvlucht vast te stellen dat er, onstuitbaar, een nieuwe volksverhuizing gaande is - nee, een heel stromenland van volksverhuizingen. Het is lang geleden dat Donker Afrika genoegen nam met spiegeltjes en kraaltjes en een likje zout toe; tegenwoordig leveren wij ze daar de toverlantaarns waarmee beelden uit de 'rijke landen' te ontvangen zijn. De volksverschuivingen die in volle gang zijn, gehoorzamen aan niet minder dan een economische Wet der Communicerende Vaten, de drukkende en zuigende wet: Veel Arm Vloeit Naar Weinig Rijk. Wie daarbij aan zijn grensovergang nog minzaam over een binnenkomend bolletje gaat staan aaien, in de waan uiterst tolerant te wezen, sla ik als politicus in deze tijd niet erg hoog aan. Echte tolerantie zou pas zijn - nee, niet het bestuurlijk in banen geleide, slapend geregelde tolereren mondjesmaat, maar een wakker, wijdopen oog voor de waarheid, en die zou wel eens kunnen luiden: Hier is een niet te keren volksverplaatsing gaande, even traag en taai en onontkoombaar als de gletsjer van een nieuwe ijstijd; zij is die nieuwe ijstijd. Een tolerantie die, op z'n waardigst, een actief soort fatalisme is - actief in zoverre als we de massale verhuizing zo goed mogelijk moeten zien te kanaliseren. Laat komen, laat komen; de illusie van geldig tegenhouden leidt wereldwijd tot groter rampen.

Is het niet aan de schrijver van De bijlslag hier politici te dwingen enigszins het hoofd te buigen voor het woeden van de geschiedenis? Bijgesloten mijn handschoen.

Slotsuggestie (dat 'twee miljoen' is een variabele): “Aan U draag ik mijn boek op, Beatrix van Oranje Nassau... Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't Uw koninklijke wil is: dat hier te lande meer dan twee miljoen van Uw onderdanen worden gemaltraiteerd en vernederd in Uwen naam?”