Een ijzige wind uit het Westen

NAIROBI, MAART. “Wilt U iets goeds doen voor Burundi?”, vraagt Ould Abdallah. “Vertelt U dan vooral in ieder gesprek met politici in Burundi dat de gebeurtenissen in hun land de buitenwereld koud laten.” Ould Abdallah is de speciale afgezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Boutros-Ghali, in Burundi. Hij wil dat iedere journalist deze boodschap onder Afrikaanse politici uitdraagt: Afrika is niet belangrijk meer in de wereld, het Westen heeft de moed verloren om ontwikkelingen in positieve richting bij te sturen en daarom moeten jullie je problemen zelf maar oplossen. Het 'post-Somalië tijdperk' heeft zijn intrede gedaan.

“Laat ze het toch begrijpen”, vervolgt Ould Abdallah op belerende toon. “Afrika heeft een aandeel in de wereldhandel van niet meer dan anderhalve procent. Driekwart van alle voedselhulp ter wereld gaat naar het continent, dat ook nog eens het grootste aantal vluchtelingen ter wereld herbergt.” In de marge geraakt van het wereldgebeuren kan Afrika volgens Ould Abdallah zeker geen eisen meer stellen. Integendeel, zelfs bij de meest bloedige burgeroorlogen, zoals die in Burundi, blijft het Westen goeddeels afzijdig. Ould Abdallah drukt zich eufemistisch uit als hij zegt: “Burundi is voor de VN een test om vrede te bewerkstelligen zonder een vredesmacht te hoeven sturen.”

In buurland Rwanda vallen gelijksoortige pessimistische geluiden te horen. Toen het land twee week geleden op de rand van een nieuwe burgeroorlog balanceerde, gaf het hoofd van de VN-troepen een ontnuchterende duiding van de rol van de vredesmacht: de VN-soldaten zouden zich onmiddellijk uit het land terugtrekken als een oorlog zou uitbreken. De VN laten zich na het debâcle in Somalië niet meeslepen in een nieuwe Afrikaanse burgeroorlog.

Het pessimisme over de ontwikkelingen in Afrika heeft vele Westerse hoofdsteden bereikt. De minister van buitenlandse zaken van België, de voormalige koloniale heerser in Rwanda, verklaarde vorige maand dat het hem steeds meer moeite kost zijn bondgenoten in het Westen ervan te overtuigen dat het noodzakelijk is om het 'democratiseringsproces' in Rwanda te ondersteunen. De vertegenwoordiger van de Wereldbank in de hoofdstad Kigali wil alle ontwikkelingsprojecten in Rwanda stopzetten als het vredesproces geen voortgang vindt.

Niet alleen de bevolking van kleine staatjes als Burundi en Rwanda heeft te maken met de ijzige wind uit het Westen. De Zaïrezen lijden al drie jaar aan een totale anarchie, veroorzaakt door hun politieke leiders. Het land is terecht gekomen in een steile neerwaartse spiraal van onderontwikkeling en roofbouw op de infrastructuur. Aanvankelijk oefenden België, Frankrijk en Amerika druk uit op president Mobutu om af te treden. Toen Mobutu die druk weerstond, gaf het Westen de hoop op en de 35 miljoen Zaïrezen werden ondergedompeld in de chaos. De Wereldbank trok zich in januari uit Zaïre terug.

Ten tijde van de Koude Oorlog had het nog zin om corrupte dictatoren als Mobutu in het zadel te houden, maar Afrika heeft nu zijn militair-strategische waarde verloren voor het Westen. “Als jullie je politieke en economische zaakjes niet in orde hebben, dan stappen we op.” Dat lijkt de nieuwe boodschap van de Westerse donoren en financiële instellingen als het IMF en de Wereldbank. “Ze krijgen een cold turkey-behandeling van ons, als ze niet doen wat we willen”, drukte een hoge functionaris van de Wereldbank in Kampala het onlangs uit.

Door oorlog en wanbeleid is in grote delen van het continent de bevolking afhankelijk geworden van noodhulp van buitenlandse donoren. In Zaïre zijn alle overheidsstructuren in verval geraakt. Als enkele buitenlandse particuliere hulporganisaties en de plaatselijke kerken niet waren bijgesprongen, zou er nu geen gezondheidszorg en onderwijs meer zijn in het land. Westerse donorlanden hebben alle elke aan de bevolking stopgezet, Zaïre is 'een bodemloze put'.

Miljoenen Soedanezen, Somaliërs, Liberianen, Burundiërs en Rwandezen eten uit de hand van buitenlandse hulpverleners. Zowel de VN als particuliere hulporganisaties ervaren dat het steeds moeilijker wordt om fondsen van de bevolking en regeringen in het Westen te verkrijgen voor noodhulp. Recente oproepen van de VN voor voedselhulp aan Angola, Burundi en Zuid-Soedan bijvoorbeeld leverden nog niet eenderde van het gevraagde (en noodzakelijke) bedrag op. De in nood geraakte hulporganisaties zoeken daarom wanhopig publiciteit voor hun activiteiten. Ze zijn in oorlogsgebieden opvallend vaker dan vroeger journalisten ten dienste, in de hoop dat door hun publicaties nieuwe fondsen zullen binnenkomen.

    • Koert Lindijer