Dwarse Britten

EEN OGENSCHIJNLIJKE futiliteit dreigt het verenigd Europa te ontwrichten.

Het gaat slechts om de vraag of de formule van de blokkerende minderheid in de Raad van Ministers moet worden aangepast als straks de Europese Unie met vier lidstaten wordt uitgebreid. Maar in wezen is diezelfde futiliteit niets minder dan een serieuze worsteling over het toekomstige karakter van Europa. Zal het niet meer zijn dan een vrijhandelszone van zoveel mogelijk soeverein handelende staten (het Britse concept) of moet het uitgroeien tot een statengemeenschap toegerust met bovennationale bevoegdheden op allerlei terreinen? Het antwoord, voor zover dat al niet in de geschiedenis van de Unie en de Gemeenschap voor haar ligt besloten, moet worden geformuleerd bij de voorgenomen herziening van 'Maastricht' in 1996. Met hun weigering de voorgestelde bijstelling van de stemprocedure in de Raad te aanvaarden, hebben de Britten, en de Spanjaarden, in feite een voorschot genomen op dat debat.

Van verschillende kanten worden de regering-Major scherpe verwijten gemaakt. Dat is begrijpelijk want de partners hadden zich ten slotte op de top in Maastricht al uitgesloofd om de Britten ter wille te zijn. De sociale paragrafen in het daar gesloten verdrag en het streven naar een gemeenschappelijke munt waren voor het Britse patronaat onverteerbaar. Major wist dan ook voorzitter Lubbers en schaduwvoorzitter Kohl ervan te overtuigen dat er voor het Verenigd Koninkrijk op die punten uitzonderingsposities moesten worden ingeruimd, wilde zijn positie thuis, en daarmee het verdrag zelf, niet in gevaar komen.

De rekensom van Maastricht blijkt nu toch niet uit te komen. Weliswaar hebben de Tory-dissidenten zich bij 'Maastricht' moeten neerleggen, maar de afrekening hebben zij voor hun regering in petto gehouden. Zo te zien ontbreekt Major inmiddels iedere manoeuvreerruimte. Met als gevolg dat zonder meer van een Britse blokkade van de verdere ontwikkeling van de Unie mag worden gesproken. De bewust aanvaarde onvolkomenheid van 'Maastricht' blijkt slechts verlies op te leveren. De tijdbom die in Maastricht is gaan tikken, staat op het punt af te gaan.

MAJORS VERWEER IS typisch voor een kat in het nauw. Niet hij maar de partners drijven de zaak op de spits. Er is volgens hem immers voldoende tijd om de uitbreiding van de Unie ondanks de acute meningsverschillen naar behoren af te wikkelen. De Britse premier neemt intussen wel een zeer formeel standpunt in. De Britten hebben een principieel punt aangeroerd en proberen nu de onnozele te spelen. Maar de partners hebben goed begrepen waarom het gaat en zij hebben eveneens de hakken in de grond gezet. Met inwilliging van de nieuwe Britse eisen of zelfs met aanvaarding van een van de Britse tegenvoorstellen zou de toch al zwaar aangetaste geloofwaardigheid van de Europese integratie verder worden ondermijnd.

Er is, nu de Britten de zaak opnieuw en ditmaal principieel op scherp hebben gezet, voor de anderen geen reden om nog eens te buigen. Temeer omdat het mes in dit geval aan twee kanten snijdt: de voorgenomen uitbreiding is naar Britse wens en past goed in het Britse concept van Europa. Wie het meeste vraagt, heeft het meeste te verliezen. Uitgekiende onderhandelaars moeten met een dergelijke omstandigheid hun voordeel kunnen doen.