Crisis in EU is ideologisch schisma

BRUSSEL, 23 MAART. Voormalig Europees commissaris Frans Andriessen heeft zijn gelijk gekregen. Twee jaar geleden beweerde hij dat de Europese Unie nog niet gereed was voor uitbreiding. Er zou eerst diepgaand moeten worden gediscussieerd over institutionele vernieuwing van de samenwerking alvorens Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk op te nemen.

Maar Andriessen werd overstemd, eerst door zijn collega's in de Europese Commissie en vervolgens door de regeringsleiders van de twaalf lidstaten van de EU. Er werd besloten tot een taktische vlucht naar voren uit de malaise van na het Deense referendum. Er volgde geen debat over 'verdieping' van de EU, met het afsluiten van de toetredingsonderhandelingen werd alleen gewacht tot het Verdrag van Maastricht met bijna een jaar vertraging van kracht kon worden.

Het falen van die strategie kwam gisteren op ontluisterende wijze aan de oppervlakte. Opnieuw werden de EU-ministers van buitenlandse zaken het niet eens over de vraag of 23 of 27 stemmen voldoende zijn om een blokkerende minderheid te vormen in de ministerraden van de uitgebreide Unie. Met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk is afgelopen weken overeenstemming bereikt over toetreding, maar ondertussen is een diepe ideologische scheuring ontstaan die elke uitbreiding voorlopig in de weg staat. De beoogde toetredingsdatum van 1 januari 1995 lijkt verder weg dan ooit.

Groot-Brittannië en Spanje tegen de rest van Europa. “Het is veel meer dan een banale twist over cijfertjes. De filosofie over hoe de Europese constructie er uit moet zien, staat ter discussie”, aldus de Franse minister Juppé. En zijn Nederlandse collega Kooijmans vatte de inzet zo mogelijk nog kernachtiger samen: “Het Europa zoals dat door zes lidstaten is opgebouwd, en dat door tien lidstaten wordt gesteund, wordt door twee lidstaten niet aanvaard”.

Het gaat, ruwweg geschetst, om de discussie tussen de 'verdiepers' van Europa en de 'uitbreiders', tussen de 'federalisten' en de 'nationalisten'. Tussen de aanhangers van “een steeds hechter verbond van de Europese volkeren” (Verdrag van Rome, 1957) en degenen die de Europese Unie willen laten verwateren tot een soort “vrijhandelsassociatie”, zoals de Belgische minister Claes gisteren de Britse opstelling duidde. “We willen voorkomen dat de positie van de nationale lidstaten binnen de EU wordt aangetast”, lichtte de Britse minister Hurd zelf toe.

In het Verdrag van Maastricht wordt die richtingenstrijd nog toegedekt door de Europese samenwerking deels op communautaire en deels op intergouvermentele leest te schoeien. Het Deense 'nee' betekende al een forse aanslag op die constructie. Maar het conflict dat nu is ontstaan, lijkt het bouwwerk van Maastricht definitief uit het lood te slaan. De bedoeling was dat op een intergouvermentele conferentie in 1996 een ingrijpende discussie zou worden gevoerd over institutionele vernieuwing van de EU. Maar met dank aan de Britten en de Spanjaarden is die fundamentele discussie nu in feite al begonnen. De geest is uit de fles, en niemand durft te voorspellen wat de komende tijd allemaal nog overhoop zal worden gehaald.

Dat minister Hurd geen kant op kon, gezien de precaire positie van de Britse regering in eigen land, kwam gisteren niet echt als een verrassing. Meer verbazing was er over de “keiharde” opstelling van Spanje, dat er kennelijk op uit is om “zijn subregionaal leiderschap te confirmeren”, aldus minister Claes.

De Belgische minister suggereerde gisteren dat Madrid nog wel eens spijt zou kunnen krijgen, als het in zijn houding blijft volharden. Op de Europese top in Edingburgh is afgesproken om de steun via structuurfondsen en cohesiefondsen voor de armste lidstaten de komende jaren te verdubbelen. Vanaf 1995 moeten alle lidstaten daarom meer bijdragen aan het budget van de EU. Die verhoging moet formeel nog worden bekrachtigd door de ministers en vervolgens worden goedgekeurd door de nationale parlementen. Als er geen akkoord komt over de stemmenkwestie, zouden er wel eens problemen kunnen rijzen over die verhoging en “Spanje zal daar het eerste de dupe van worden”, voorspelde Claes.

Ongetwijfeld is het met name voor de Duitse minister Kinkel verleidelijk om naar die stok achter de deur te grijpen. Duitsland, de grootste contribuant aan het EU-budget, heeft de uitbreiding van Noorwegen, Zweden, Finland en buurland Oostenrijk nodig om vervolgens de slag richting Midden- en Oost-Europa te kunnen slaan. 'Als Engeland een verbinding legt tussen zijn stemmengewicht en zijn bevolkingsomvang, dan kan zoiets ons ook nog de nodige winst opleveren. Maar dat wil ik momenteel helemaal niet', hield minister Kinkel gisteren zijn collega's voor. Duitsland wil koste wat koste moeilijkheden voorkomen. “De Duitsers accepteren een uitstel van de uitbreiding niet”, aldus staatssecretaris Dankert.

Maar hoe dat uitstel kan worden voorkomen, hoe een politieke crisis kan worden afgewend, wist gisteren na afloop van de bijeenkomst niemand te vertellen. “We hopen op het beste, maar we zijn voorbereid op het slechtste”, zei de huidige Nederlandse vertegenwoordiger in de Europese Commissie, Hans van den Broek.

Voor hem komt de crisis in de EU in feite ook neer op een persoonlijk drama. Van den Broek heeft het 'buitenlandse beleid van de EU' in zijn portefeuille. Maar dat is een terrein waarop de lidstaten niets van hun nationale bevoegdheden uit handen hebben gegeven. Een buitenlands beleid van de EU is het afgelopen jaar dan ook niet of nauwelijks van de grond gekomen.

Waar Van den Broek wel succes heeft geboekt, betreft de uitbreidingsonderhandelingen met Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk, die mede onder zijn leiding zijn voorbereid. Dat de vier aspirant-leden tot overeenstemming zijn gekomen met de twaalf lidstaten van de EU, is mede aan Van den Broek te danken. Maar het optreden van de Britten en de Spanjaarden lijkt nu ook dat plezier te vergallen.