Vlucht naar voren van Europese Unie dreigt te mislukken

BRUSSEL, 22 MAART. Ambtenaren en diplomaten in Brussel geloven er steeds minder in dat 1 januari 1995 in de geschiedenisboekjes zal verschijnen als de datum waarop Finland, Noorwegen, Oostenrijk en Zweden zijn toegetreden tot de Europese Unie. Vandaag zijn de ministers van buitenlandse zaken uit de twaalf lidstaten van EU opnieuw bijeen om hun onderlinge geschil met Groot-Brittannië en Spanje uit de weg te ruimen over de machtsverhoudingen in de Europese ministerraden die na de uitbreiding zouden moeten gelden. De kans is klein dat een formule voor het aantal blokkerende stemmen wordt gevonden die de Euro-sceptici in het Britse parlement tevreden stelt en tegelijkertijd nog aanvaardbaar is voor de overige tien lidstaten of voor het Europarlement, dat de uitbreiding moet goedkeuren.

Het missen van de streefdatum van 1 januari 1995 zal overigens geen grote economische gevolgen hebben. Met uitzondering van de landbouw, is de vrijhandel tussen het Europa van de Twaalf en het blok van de vier aspirant-leden al grotendeels gewaarborgd in het begin dit jaar van kracht geworden akkoord over de Europese Economische Ruimte (EER).

Toch zal uitstel van het Europa van de Zestien in Brussel worden beschouwd als een regelrecht echec. Dat komt door het grote politieke gewicht dat de EU-lidstaten en hun regeringsleiders - ieder uit eigen motieven en de een wat enthousiaster dan de ander - aan de uitbreiding hebben gegeven. De toetreding van Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk kan ook heel goed op 1 juli 1995 geschieden. Of op 1 januari 1996. Maar zo'n uitstel zou andermaal pijnlijk duidelijk maken dat de EU met zichzelf in de knoop ligt, dat de periode van verwarring en interne verdeeldheid nog lang niet overwonnen is.

De Europese Unie is nooit bedoeld als een exclusieve club van landen in West-Europa. Al in het Verdrag van Rome ligt de uitnodiging besloten voor andere landen om het lidmaatschap aan te vragen. De beoogde toetredingsdatum van 1 januari 1995 voor Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk werd vastgelegd op de Europese top van regeringsleiders in Edinburgh, in december 1992. Dat was ruim een half jaar na het Deense 'nee' tegen Maastricht en drie maanden na het Franse referendum met zijn narrow escape voor president Mitterrand. Dat was, kortom, op een moment dat Europa volop worstelde met zijn burgers en iedereen in Brussel onhoorbaar manoeuvreerde om maar geen nieuwe brokken te maken.

Edinburgh was dan ook de top van het grote compromis tussen drie stromingen binnen de EU: 'de uitbreiders', 'de verdiepers' en 'het mediterrane blok'. Groot-Brittannië en Denemarken kregen de toezegging dat zo snel mogelijk zou worden begonnen met de uitbreidingsonderhandelingen. De zuidelijke lidstaten en Ierland werden afgekocht met een verdubbeling van de steun uit de structuur- en cohesiefondsen in de komende jaren. En de founding fathers van de EU kregen de garantie dat de onderhandelingen met de toetreders pas zouden worden afgesloten na de inwerkingtreding van 'Maastricht'. Met andere woorden: de datum van 1 januari 1995 vloeit niet voort uit één visie op de toekomst van Europa, maar is een vlucht naar voren. Een verzoeningspoging van de Europese regeringsleiders om te ontsnappen uit de Euro-malaise.

Nu bijna anderhalf jaar later lijkt het er veel op dat die opzet niet geslaagd is. Maastricht werd vorig jaar oktober van kracht. Maar twee maanden eerder werd het Europese Monetaire Stelsel bijna opgeblazen en moesten de nauwe valutabanden worden opgeheven. Het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU liep stuk op het slagveld in ex-Joegoslavië. En als de EU-ministers van binnenlandse zaken en justitie morgen in Brussel voor de tweede keer bijeenkomen sinds Maastricht van kracht is, zullen ze constateren dat ook de justiële samenwerking in Europa stagneert. Blijft op dit moment de beoogde uitbreiding over als motor van verdere integratie. Maar die dreigt nu af te slaan door de weigering van de Britten en de Spanjaarden om iets van hun stemmenmacht prijs te geven. Dat Londen zichzelf en de andere grote lidstaten meer macht wil toebedelen in de besluitvorming in Brussel, past natuurlijk in het Britse model van een zo groot mogelijk Europa van soevereine staten. Het primaat van 'de nationale staten' blijft voor ons recht overeind staan, onderstreepte premier Major vorig jaar nog in The Economist. Maar in Brussel wordt het als een tactische blunder beschouwd dat de Britse regering zo hoog heeft ingezet op de stemmenkwestie. Daardoor brengt ze immers de uitbreiding in gevaar, die ze zelf als geen ander heeft gepropageerd om de Europese samenwerking in een niet-federale vorm te gieten.

De Spanjaarden, en in mindere mate de Italianen, steunen het Britse standpunt. Zij hebben weinig te verliezen van het niet-doorgaan van de uitbreiding, behalve dan de extra vis die ze toegeschoven hebben gekregen door het toetredingsakkoord met Noorwegen. In feite zullen de arme zuidelijke lidstaten aan invloed verliezen binnen de EU door de komst van vier rijke lidstaten in het noorden.

Woedend over de gang van zaken is Denemarken, dat zijn buren graag binnen zou halen. Voor Denemarken geldt ook - net als voor bijvoorbeeld Nederland en België - dat de komst van Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk het aandeel van de 'kleine' landen in de EU belangrijk zal doen toenemen. De Deense regering die met de Britse regering altijd het hardst heeft geroepen om uitbreiding, verzet zich fel tegen de Britse aanspraak op meer macht.

Wellicht nog het belangrijkst is de totstandkoming van het Europa van de Zestien voor Duitsland. Net als Frankrijk heeft Duitsland zich altijd ingezet voor 'verdieping' van de Europese samenwerking. Maar voor de regering in Parijs is uitbreiding van de EU daarnaast niet van cruciaal belang en voor Bonn wel. Na de aansluiting van buurland Oostenrijk en van de nieuwe Scandinavische partners, zal Duitsland ongetwijfeld de blik naar Midden- en Oost-Europa willen richten, zoals men in Parijs ook wel aanvoelt. Daarbij komt nog dat de regering van bondskanselier Kohl haast heeft. In oktober zijn er nationale verkiezen en het zou mooi zijn als de uitbreidingsdatum van 1 januari 1995 dan nog steeds als succes kan worden gepresenteerd aan de kiezers. Kohl zal zo'n succes hard nodig hebben.

Maar gezien de Britse houding moet er rekening mee worden gehouden dat Kohl zijn zin niet krijgt. In Brussel wordt zelfs al voorzichtig gespeculeerd over de mogelijkheid dat het conflict om de stemmenmacht zal uitmonden in een fundamenteel debat over de toekomstige inrichting van Europa - iets dat pas was gepland voor de intergouvermentele conferentie van 1996. In dat worst case scenario wordt het conflict met de Britten niet opgelost en wordt daarmee het bewijs geleverd dat 'de vlucht naar voren' van Edinburgh is mislukt. Daaruit volgt de onvermijdelijke conclusie dat binnen de huidige EU eerst de strijd tussen 'federalisten' en 'nationalisten' moet worden uitgevochten voordat uitbreiding mogelijk is.

    • Wim Brummelman