Verstedelijkt de poëzie?

Maatstaf 1994/3+4 en 1994/2. De Arbeiderspers, 140 blz. ƒ 39,90 en 84 blz. ƒ 19,90

Op de drukke tijdschriftenmarkt probeert Maatstaf zichzelf weg te drukken. Binnen drie dagen verschenen de nummers 1994/3+4 en, daarna, 1994/2. Het laatste is van februari en dus gewoon wat aan de late kant, maar het dubbelnummer van maart/april gaat over poëzie en moest kennelijk nog gauw even mee met de Boekenweek. Het mag er dan ook wel zijn: vijftien dichters uit eigen stal en meer dan twintig andere staan er in, en niet krenterig, plus vier beschouwingen óver poëzie. Met ƒ 39,90 een dure verzameling in deze Boekenweek van goedkope en nog goedkopere poëziebloemlezingen, maar dit is allemaal nieuw werk. Bovendien zit er een gratis monsterboekje bij met 32 gedichten uit het poëziefonds van De Arbeiderspers, Alle Poëten. Rob Schouten droeg behalve drie gedichten ook een artikel bij over 'klimaatverandering en verstedelijking in de Nederlandse poëzie'. Hij verbaast zich over de voorliefde van de Nederlandse dichter, ononderbroken sinds de Tachtigers, voor het natuurgedicht. “Op grond van de sociaal-culturele structuur van de bevolking zou je eerder een verstedelijkte, geïndustrialiseerde poëzie verwachten, waarin de televisie aanstaat en de muren met graffiti zijn beklad. Maar het escapisme van de dichterlijke stand is groot. Sinds jaar en dag heeft de gemiddelde Nederlandse dichter trouw gezworen aan de natuur en schoot er voor stadspoëzie maar een klein stukje aandacht over.” Schouten signaleert een wending, speciaal in en door het werk van Elma van Haren, Anne Vegter, Martin Reints, Robert Anker en Tonnus Oosterhoff; namelijk “dat het allemaal wilder, opener, spontaner, onvoorspelbaarder, ongebreidelder, fantasierijker en vooral ook urbaner wordt”. Urbanisatie, een nieuwe wildheid die de plaats inneemt van het oude escapisme, zo lanceert Schouten deze nieuwste stroming.

In het andere Maatstaf-nummer van deze week blijkt Koos van Weringh, van het helaas opgeheven Oog in 't Zeil, onderdak gevonden te hebben met zijn 'Notities uit Moskou'. Ook Hans van Straten is met zijn petites histoires 'De omgevallen boekenkast' van het Oog overgenomen.

De poëzie in dit nummer is van Harmen Wind (zwaluwen, treurwilgen, zand), Erik Heyman (boeren, gras, herderstas) en Rob Schouten met motieven als huiselijkheid en oude liefdes.

Cees van de Raak werkt aan een boek over kerkhoven in Nederland. In Maatstaf publiceert hij een meeslepend stuk over ondoden en schijndoden; een combinatie van feitelijke gegevens over lijken in ontbinding en de literaire verwerking van angst voor vampiers en levend begraven worden, 'Ik lijk maar dood'. Meer bijgeloof vinden we in een nieuw hoofdstuk uit Jan Fontijns biografie van Frederik van Eeden, over zijn obsessie voor het spiritisme waaraan de schrijver, zo schreef Fontijn al in het eerste deel van de biografie, Tweespalt, uiteindelijk te gronde is gegaan. Ging het in Tweespalt (de periode 1860- 1901) nog om tafeldansen, gedachtenlezen, hypnose en mediums, na zijn vijftigste - en de dood van zijn zoontje Paul - zocht Van Eeden steeds meer zijn heil bij verleidelijke theorieën over leven na de dood. Het lijkt of Fontijn met terugwerkende kracht woedend is dat Van Eeden zich kon laten meeslepen door zoiets onwetenschappelijks en gevaarlijks als het spiritisme. Mediums hebben volgens hem dankbaar misbruik gemaakt van Pauls ontwaken om de schrijver deskundig te bedriegen met berichten uit het hiernamaals. “Zoals ik nu van je houd, Vader, kon ik het nooit op aarde, ik kon je nooit zoo helpen, als er kwaad komt, wil ik het afwenden en je moet nog wat wachten, maar dan kom ik bij je.”

    • Margot Engelen