'Veilig drinkwater is gezond maar levert ook nog geld op'

De Delftse hoogleraar milieutechnologie GUY ALAERTS bereidde met anderen de internationale ministersconferentie over drinkwater en milieuhygiëne voor die vandaag en morgen zal trachten de tijdens de VN-milieutop in Rio (1992) vastgelegde principes in daden om te zetten.

DELFT, 22 MAART. In de Peruaanse hoofdstad Lima stierven begin jaren negentig ruim 2.000 mensen aan de cholera, terwijl het aantal ziektegevallen de 250.000 overschreed: een gevolg van de consumptie van ongezuiverd drinkwater uit een rivier die met cholerakiemen uit ontlasting was besmet. De epidemie had ook ernstige financiële repercussies. In tien weken tijd zakten de nationale inkomsten van Peru met een miljard dollar als gevolg van teruglopend toerisme en een ingestorte export van landbouw- en visserijprodukten.

Dr. Guy Alaerts, hoogleraar milieuytechnologie aan het Internationale instituut voor infrastructuur, waterloopkunde en milieu in Delft, haalt het Zuidamerikaanse drama aan om te wijzen op het economisch belang van veilig drinkwater en deugdelijke sanitaire voorzieningen. “Vroeger”, zegt hij, “werd bij het propageren van betere milieu-omstandigheden altijd een sterke nadruk op de gezondheidsaspecten gelegd, maar die blijken minder indruk te maken dan de economische gegevens. 'Tweeduizend doden, ach wat zielig', hoor je dan, maar verder gebeurt er niets. Wat de beslissingnemers, de politici aanspreekt is zo'n inkomstenderving van een miljard dollar. En daaruit blijkt tegelijk dat werken aan schoon drinkwater, aan waterzuivering en riolering zichzelf betaalt. Het is zelfs een van de voorwaarden voor economische vooruitgang.”

Alaerts' instituut leidt jaarlijks 400 buitenlanders op. De laatste maanden nam hij tevens deel aan de voorbereidingen van de internationale ministersconferentie over drinkwater en milieuhygiëne die vandaag en morgen in Noordwijk aan Zee wordt gehouden.

De bijeenkomst, met delegaties uit 83 landen, is een vervolg op de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) die in juni 1992 werd gehouden in Rio de Janeiro. De Nederlandse minister van milieu Alders is - op verzoek van verschillende landen - gastheer. In Rio werden geen concrete besluiten genomen. Dat moet nu veranderen.

Gebrek aan veilig drinkwater is een probleem van mondiale afmetingen, maar de tekorten openbaren zich nu vooral in ontwikkelingslanden, waar tachtig procent van alle ziekten te maken heeft met slecht water en onhygiënische toestanden. Zo'n 1,2 miljard mensen, voornamelijk woonachtig in Afrika, Azië en Latijns Amerika, zijn verstoken van hygiënisch betrouwbaar water. Jaarlijks sterven meer dan vier miljoen kinderen onder de vijf aan diarree, die meestal in verband staat met het drinken van besmet water uit rivieren of primitieve putten.

Tegelijkertijd signaleren deskundigen een achteruitgang van de zoetwatervoooraden op aarde. Rivieren vervuilen en bijna overal daalt het grondwaterpeil doordat er meer aan de bodem wordt onttrokken dan er aan regenwater inzakt. Ondiepe putten die van oudsher drinkwater aan mens en dier leverden vallen droog. Daar komt bij dat massa's zoet water, die zich in beginsel voor menselijke consumptie lenen, verloren gaan door inefficiënt gebruik in de landbouw, vooral bij irrigatiewerken.

Tegen die onheilspellende achtergrond werd in Rio onder meer uitgesproken dat zoet water niet onbeperkt beschikbaar is en dat de aquatische ecosystemen als leverancier van de kostbare vloeistof een hoge graad van bescherming verdienen. Toch is een man als Alaerts niet bijster tevreden over de aandacht die het onderwerp in Rio kreeg. “Drinkwater”, zegt hij, “bleef als oud probleem onderbelicht ten gunste van nieuwe thema's als ozonlaag, broeikaseffect en de vernietiging van het tropisch regenwoud. Wat onvoldoende tot zijn recht kwam, is dat juist drinkwater gekoppeld is aan de armoedeproblematiek. Het zijn immers de armen op de wereld die minder toegang hebben tot veilig drinkwater en een gezonde leefomgeving. Mede hierdoor blijft één derde van de wereldbevolking verstoken van ontwikkeling.”

Alaerts denkt hierbij in het bijzonder aan de voortgaande verstedelijking van de Derde wereld; aan de uitdijende sloppenwijken, “waar de mensen in abomibale omstandigheden leven en de drinkwaterbedrijven niet in staat zijn de exploderende bevolking van leidingwater te voorzien”. Vaak betalen de slum-bewoners een veelvoud van het gangbare tarief aan venters die met jerrycans drinkwater rondsjouwen en de vloeistof per liter verkopen. “Tegelijk worden de drinkwaterbedrijven door de overheid gesubsidieerd, iets waar dus alleen de rijken van profiteren.”

Een van de voorstellen van de stuurgroep aan de ministersconferentie luidt daarom de regel- en wetgeving in de arme landen zodanig aan te passen, dat er bij de drinkwaterdistributie een sterke nadruk komt te liggen op deelname van de lokale bevolking. Alaerts ziet mogelijkheden tot verbetering door inschakeling van wijkraden, die met drinkwaterbedrijven - en banken - gaan praten over aansluiting op het openbare net of het installeren van handpompen. “Daar zullen ze natuurlijk wel iets voor moeten betalen, maar veel minder dan ze bij de venter kwijt zijn.”

In een andere voorstel worden de ministers aangespoord tot een 'flexibel beleid' waar het om de kwaliteitsnormen van drinkwater gaat. Alaerts: “Wij hebben liever water dat niet aan de hoogste eisen beantwoordt voor véél mensen dan water dat wel aan die eisen voldoet voor weinig mensen.”

Een derde boodschap aan de ministers heeft betrekking op zogenoemd integraal waterbeheer. Deze term houdt in dat alle betrokken belangen in het stroomgebied van een rivier - drinkwatervoorziening, visserij, industrie, scheepvaart, de natuur, enzovoort - zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen. Alaerts: “Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat industriële ontwikkeling aan de bovenstroom van een rivier, hoe dringend die in economisch opzicht ook nodig zou zijn, achterwege moet blijven of met verregaande zuiveringsmaatregelen gepaard moet gaan ten gunste van de bevolking aan de benedenstroom, die immers niet gebaat is bij de lozing van schadelijk materiaal.”

Als een rode draad door de ministersconferentie loopt het begrip duurzaamheid, dat vrij vertaald hierop neerkomt: gebruik van natuurlijke hulpbronnen - waaronder de slinkende voorraad zoet water - is toegestaan, maar vèrbruik is uit den boze.

Alaerts past het begrip toe op een symbool van Nederlandse eetcultuur, de biefstuk, in relatie tot de Derde wereld: “Onze veestapel floreert dank zij bijvoorbeeld de teelt van cassave, een belangrijke grondstof voor veevoer, in Thailand. We kunnen die cassave goedkoop importeren omdat er in Thailand nog geen sprake is van duurzaam waterbeheer bij irrigatiewerken. Als dat verandert, zou onze biefstuk wel eens twee keer zo duur kunnen worden.”

    • F.G. de Ruiter