Onderwijzer wil niet meer knutselen maar leren

Onderwijzers gaven minister Ritzen (onderwijs) gisteren hun mening over het basisonderwijs. Conclusie: minder leerstof en kleinere klassen.

EINDHOVEN, 22 MAART. “Een basisschool moet leren nee te zeggen. Knutselen hoort thuis in het buurthuis en sport bij de voetbalclub. Wij moeten kiezen voor leren.” Deze hartekreet van een onderwijzeres oogstte gisteren applaus in het zaaltje van de Hogeschool Eindhoven. Tweehonderd onderwijzers, schooldirecteuren en schoolbestuurders spraken er op de eerste van zes 'hearings' die het ministerie van onderwijs organiseert over het rapport van de Commissie Evaluatie Basisonderwijs, dat begin dit jaar verscheen.

Het rapport schetst een somber beeld van het basisonderwijs: het lesprogramma is overladen, basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen worden onvoldoende geleerd en allochtone leerlingen liggen achter. De conclusies werden in grote lijnen onderschreven door minister Ritzen.

Met angst in het hart is hij naar Eindhoven afgereisd, zegt minister Ritzen aan het slot. Ritzen en de commissieleden mogen pas aan het eind van de strak geregisseerde avond kort reageren. “Mijn grote zorg was: kan het onderwijs zo'n discussie over de kwaliteit aan? Zal er niet onmiddellijk over de schuldvraag gesproken worden?” Tot zijn opluchting constateert Ritzen dat de conclusies van de commissie ook door de leerkrachten worden onderschreven, zonder dat de schuld direct bij de overheid gelegd werd. Een onderwijzeres zegt zelfs: “Ik heb toch vaak heel slecht les gegeven, ontdek ik nu, als ik leerboekjes 'Nederlands als tweede taal' zie. Het heeft ons toch vaak geschort aan de juiste didactiek.”

Het regent klachten, maar de meeste zijn in lijn met de conclusies van de commissie. “In een democratie willen we voor alle sociale problemen een oplossing zoeken”, zegt een onderwijzer achter de interruptiemicrofoon. “Maar in de huidige school kunnen we dat niet aan. Dat gaat ten koste van rekenen en taal.”

Ritzen bekent schuld aan de gewraakte overladenheid van het programma. Als minister heeft hij al die jaren “met de knieën bij elkaar getrokken en met kromme tenen” moeten aanzien hoe het basisonderwijs steeds meer taken kreeg: verkeersonderwijs, natuuronderwijs, gezond gedrag. “Je bent dan wel als minister verantwoordelijk, maar je houdt het niet tegen.” Tot vorig jaar was de toenmalige staatssecretaris J. Wallage verantwoordelijk voor het basisonderwijs, Ritzen nam het onderwerp pas bij diens vertrek naar Sociale Zaken over.

Tweeënnegentig procent van de aanwezige onderwijzers en directeuren wenst een duidelijk onderscheid tussen echt verplichte stof (rekenen en taal) en andere 'kerndoelen' van het basisonderwijs. Dit blijkt uit een stemming met een elektronische stemmachine die het ministerie had laten aanrukken om de meningen te peilen. Ritzen waarschuwt dat het onderwijs “de rug recht” moet houden als er werkelijk in de leerstof “geschrapt” zal worden.

“Er is een heel ander soort kind dan vijftien jaar geleden”, zegt een onderwijzer “Ze komen uit een klein gezin en zijn gewend veel aandacht te krijgen. En de onderwijzers zijn veel deskundiger geworden en gaan steeds meer graven in de problemen van kinderen. Maar de groepen worden steeds groter. Dáárom is het programma overladen. Er moeten dus kleinere klassen komen, zodat je ieder kind beter tot zijn recht kan laten komen.”

Dit pleidooi voor kleinere klassen wordt tegengesproken door commissielid prof.dr. A. van der Leij. “Zelfs als je een klas van veertig hebt, hoef je er maar zo'n vijftien extra zorg te geven”, meent hij. “De andere vijfentwintig gaan vanzelf wel mee.” Hij stuit op ongeloof maar houdt vol: “Een onderwijzer wil van alles meer, behalve meer kinderen.”

Aan het eind van de avond legt Ritzen uit dat juist de fusies, waar iedereen zo over klaagt, er voor zullen zorgen dat klassen kleiner worden. “Want de gemiddelde klasgrootte is twintig, terwijl ze bij u vaak dertig is. Die kleine klassen zitten allemaal op de kleinere scholen. Dus nog even doorzetten met de fusies en dan wordt het vanzelf beter.”

    • Hendrik Spiering