Of andersom

Ik vraag mij regelmatig af wat wij in honden zien. Of andersom, wat ziet een hond in ons?

In de heuvels van Andalusië legden honden een vriendelijke schuwheid aan de dag. Vriendelijk omdat de niet-vriendelijken onder hen vermoedelijk zonder omhaal werden afgemaakt. Schuw omdat ze nooit zeker konden zijn of ze wel vriendelijk genoeg waren.

Een uitgestoken hand, een bemoedigend woord, een aangeboden stukje koek - het hielp allemaal niets, ze bleven vriendelijk op afstand. Kreunend van verscheurdheid boden ze de verleidingen het hoofd. We besloten ze deze kwelling verder te besparen en gingen voortaan zwijgend, met een vluchtig, enigszins schrijnend gevoel van misverstand aan honden voorbij.

In de bocht van een stoffig weggetje kwamen ons twee herders tegemoet. Ze waren pas een maand of drie, de ene geel, de andere zwart, wollig en broos. Ze hoorden bij een tuintje waar iemand in de zon aan het werk was. De moederherder bleef bij het hek staan blaffen.

Ruim voordat we ze konden aanhalen, gingen de jonge dieren aan de kant. We zeiden niets, we maakten zelfs geen oogcontact. Maar toen ik in de volgende bocht achteromkeek, stonden ze ons middenop het weggetje na te kijken, die gele en die zwarte, je zou haast zeggen: roerloos, maar ze kwispelden. Zo blij. Alleen omdat ze ons hadden gezien. Alleen omdat ze snapten dat wij mensen waren.