NCW: Nederland schept veel banen in het buitenland

DEN HAAG, 22 MAART. In de afgelopen drie jaar heeft het Nederlandse bedrijfsleven tussen de 300.000 en 600.000 banen in het buitenland gecreëerd omdat daar de vestigingsfactoren, zoals bijvoorbeeld de loonkosten, relatief gunstig waren in vergelijking met Nederland.

Dat zei vanmiddag NCW-voorzitter J.C. Blankert bij de presentatie van een onderzoek dat de christelijke werkgeversorganisatie de afgelopen weken heeft gehouden. Hieruit blijkt dat bijna tweederde van de bedrijven bij het proces van globalisering is betrokken; deze ondernemingen hebben de afgelopen jaren activiteiten in het buitenland opgezet, uitbesteed of uitgebreid. Van de ondervraagde bedrijven zegt 37 procent zich uitsluitend op de binnenlandse markt te concentreren. “Het internationale karakter van het Nederlandse bedrijfsleven zal de komende tijd alleen maar toenemen”, verwacht Blankert.

De onderzoeksresultaten zijn vandaag gepubliceerd aan de vooravond van het 'platform globalisering', de strategische conferentie die het ministerie van economische zaken donderdag houdt.

Het proces van globalisering is volgens Blankert de afgelopen jaren in een stroomversnelling terecht gekomen. Uit het onderzoek blijkt dat bijna de helft van alle Nederlandse bedrijven kansen in het buitenland ziet. Er is ook sprake van een omgekeerde beweging, dus buitenlandse bedrijven die zich in Nederland hebben gevestigd. “Het zijn er weinig en het leverde maar enige tienduizenden banen op, maar toch”, aldus Blankert.

Het onderzoek is gehouden onder bijna 190 bedrijven die goed zijn voor bijna zeven procent van de Nederlandse werkgelegenheid. Van de kleine bedrijven (minder dan 500 werknemers) wordt 57 procent geconfronteerd met de effecten van globalisering; voor de grote bedrijven ligt dit percentage op 86.

Bijna 40 procent van de bedrijven noemt de kosten van arbeid als reden of één van de redenen voor hun interesse in het buitenland. Fiscaal klimaat en milieukosten worden in respectievelijk 9 en 7 procent van de gevallen genoemd. Ruim 60 procent van de bedrijven oriënteert zich op de landen binnen de Europese Unie. Op de tweede plaats komt Oost-Europa (47 procent), gevolgd door Zuidoost-Azië (24 procent), de rest van Azië (20), VS (18) en GOS (12).

De werkgeversorganisaties voor het midden- en kleinbedrijf KNOV en NCOV hebben het platform van donderdag aangegrepen om de positie van het Nederlandse bedrijfsleven te markeren. KNOV-voorzitter Kamminga merkte bij de presentatie van een nota hierover gisteren op dat er te weinig de neiging bij bedrijven bestaat te onderzoeken wat er in Nederland zelf kan worden veranderd en dat ze te veel naar het buitenland kijken.

In hun nota stellen de twee verbonden dat er meer ondernemingszin moet komen, zowel bij de ondernemers als de werknemers. Bedrijven zullen het “interne ondernemerschap” moeten bevorderen. Dat houdt in dat ondernemende werknemers de ruimte moet worden gegeven perspectiefrijke initiatieven te ontplooien. Dat kan gepaard gaan met een gedeeltelijk prestatie-afhankelijke beloning of met bonussen. De twee organisaties wijzen kritisch in de richting van de gesloten bedrijfscultuur in Nederland, de zeer soepele kartelwetgeving en een risicomijdende mentaliteit bij de ondernemers.

CDA-lijsttrekker Brinkman heeft gisteravond op de EO-radio gepleit voor een verdere lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf. Per 1 juli heeft het kabinet daar al 250 miljoen gulden voor uitgetrokken; dat bedrag moet volgend jaar worden verdubbeld, meent Brinkman. Het gaat hierbij om een verhoging van de zelfstandigenafrek en een verlaging van de vennootschapsbelasting.