Lichtschip moet wijken voor immense boei

A/B 'ROTTERDAM', 22 MAART. De stem van Edith Piaff schalt hees door een kleine luidspreker in het stuurhuis, de kapitein en de roerganger leunen loom achterover. Aan de horizon, voor de gloed van de opkomende zon, blinken de vuurtorens van Haamstede, Ouddorp en de Maasvlakte hun signalen. Aan bakboord knipoogt het lichtplatform Goeree naar het lichtschip Noord-Hinder, dat aan een 200 meter lange tros zachtjes meewiegt achter het betonningsschip Rotterdam op een lange deining uit het noorden. Een kilometer of tien uit de kust wacht de Rotterdam op hoog water om het lichtschip door het Slijkgat de haven van Stellendam binnen te brengen.

Gistermiddag lag het fel rode, geblindeerde schip nog op 53 graden noorderbreedte en 3 graden westerlengte. Het gaf elke 30 seconden twee lichtflitsen en elke 60 seconden twee keer een dof geluidssignaal. Om half vijf doofde het licht op het Noord-Hinder, na bijna 150 jaar op dezelfde positie - zo'n negentig kilometer ten westen van Hoek van Holland - de scheepvaart te hebben gewaarschuwd voor de gelijknamige zandbank.

Het lichtschip moet wijken voor een immense boei voorzien van zonnepanelen en radarreflectoren en volgepropt met accu's en elektronica. Het rood-wit gestreept gevaarte voldoet beter aan de eisen van de moderne tijd en is aanzienlijk minder onderhoudsgevoelig. Iedere acht weken moest een ploeg van de dienst Vaarwegmarkering van het Directoraat Generaal voor Scheepvaart en Maritieme zaken (DGSM) tegen vaak torenhoge golven opboksen om de continu draaiende dieselmotoren op het lichtschip te onderhouden, lampen te vervangen en de elektronica te toetsen op hun werking. Als door harde wind niemand uit het kleine gele jolletje van de Rotterdam op het schip kon overstappen, werd vanaf Zestienhoven op Schiphol een helikopter gecharterd. “In principe kon het schip veel langer dan die acht weken zonder verzorging”, zegt 'opstapper' Hans van der Kuil, een van de zes mensen die regelmatig het lichtschip bezocht. “Van alle machines zijn er drie waarvan twee reserve.”

Voor het wegslepen van de Noord-Hinder is deze keer de volledige ploeg opgekomen. De zwaarste taak is het ordentelijk binnenbrengen van de 225 meter ankerketting à 60 kilogram de meter. Twee man duwen en trekken in het pikdonkere kluisgat in het voorschip met zware stalen staven de ketting schakel voor schakel horizontaal. De ankerlier puft en steunt, het schip trilt onder zwaar dreunende dieselmotoren die de grote lier aandrijven. Op het groen uitgeslagen dek liggen enkele dode vogels, een oude handdoek doet vermoeden dat ooit iemand aan boord geklommen is. De kisten met hutspot, medicijnen en dekens voor drenkelingen zijn onaangeroerd.

In de kleine, desolate verblijven op het schip, waarvan alle ramen met zware metalen platen zijn beschermd tegen het geweld van overkomende golven bij stormen, verbleven vanaf 1980 alleen nog onderhoudsploegen. Een oud radiotoestel herinnert aan de tijd dat het lichtschip permanent bemand was, met een heuse kapitein, stuurman en kok. Om de twee weken werd de bemanning afgelost, maar als het weer tegenwerkte werd het verblijf weleens een maand of nog langer. “Iedereen werd daar een beetje gek”, weet kapitein W. Risseeuw van de Rotterdam.

Noord-Hinder was in 1859 de eerste plek in de Noordzee waar Nederland een lichtschip voor anker legde, tot gisteren was het schip het laatste voor de Nederlandse kust. In 1971 werd het lichtschip Goeree verwisseld voor een platform, in de jaren daarna werden de meeste andere schepen weggehaald, omdat door verlegging van de vaarroutes voor de koopvaardij de lichtbakens niet meer nodig waren. Nadat in 1991 het lichtschip Texel van zijn anker sloeg en op de Noordhollandse kust strandde, besloot DGSM met boeien te gaan werken. “Er was geen reserveschip voorhanden en tot onze verrassing bleek niemand het lichtschip te missen”, zegt L. van der Harst van DGSM. Op de boei die het lichtschip Noord-Hinder vervangt heeft hij de computer in werking gesteld die de positie controleert en dat via een satelliet doorgeeft 'naar de wal'. “Schepen navigeren allang niet meer op zicht, zoals vroeger”, zegt Van der Harst. “Radar en navigatiecoputers zijn de belangrijkste instrumenten. Moderne boeien beantwoorden radarsignalen met hun herkenningstekens. De kapitein ziet dat antwoord op zijn beeldschermen en weet precies waar hij is”.

Omdat zicht hoogstens voor zeezeilers nog van doorslaggevend belang zijn, heeft de boei NHR (Noord-Hinder) slechts een klein lichtje gekregen, dat hooguit op een afstand van vijf mijl te zien is. Kapitein Risseeuw vindt het maar niks. De lichtbundel van het lichtschip was op 27 mijl te zien bij gunstige weersomstandigheden. “Bij DGSM gaan ze er mij te gemakkelijk vanuit dat elk schip alle moderne apparatuur maar aan boord heeft. Ik was laatst op een Griekse tanker die één radarapparaat en één klein ouderwets navigatiecomputertje had. Als daar de stroom uitvalt hebben ze alleen nog maar een verrekijker.”

Noord-Hinder was de laatste jaren vooral een verkeersteken in de kruising van de Eurogeul naar Rotterdam en de doorgaande route naar Hamburg. “Het is hier knap drukt”, wijst kapitein Risseeuw naar de vele schepen waartussen enkele vissers met uitgespannen tuig op zoek zijn naar tong. “Zo'n sterk licht als dat van de Noord-Hinder, lijkt mij voor die schepen waar soms maar één opvarende engels spreekt, geen overbodige luxe.”

De bemanning van de Rotterdam treurt lichtjes over het vertrek van de Noord-Hinder. “Ze lijkt heel wat als je haar zo nadert”, zegt 'opstapper' Van der Kuil. “Maar als je er bij windkracht negen op zat was ze eigenlijk drie keer niks.”

    • Zeger Luyendijk