Kamer akkoord met ontmanteling monopolie PTT Telecom; Scepsis over afgesproken tempo

DEN HAAG, 22 MAART. De Tweede Kamer acht het vrijwel uitgesloten dat PTT Telecom zijn monopolie op het gebied van telefonie tot 1998 behoudt, zoals minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) wil.

CDA, PvdA, VVD en D66 zeiden gisteren bij de behandeling van een aantal wijzigingen van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen dat de snelle technologische ontwikkelingen dit monopolie nu al uithollen, bijvoorbeeld doordat sommige concerns (zoals hotelketens en multinationale bedrijven) al over een eigen net beschikken.

Bij de wijzigingen van de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen gaat het erom dat PTT Telecom stapsgewijs meer concurrentie krijgt. Directe aanleiding is behalve naderende Europese regelgeving hierover, een rapport van het organisatie- en adviesbureau McKinsey uit 1993. In dit in opdracht van het ministerie van verkeer en waterstaat geschreven rapport wordt gesteld dat PTT Telecom het bedrijfsleven te weinig huurlijnen kan verschaffen en er bovendien een te hoge prijs voor vraagt. Voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven zou dit funest zijn.

Het kabinet stelt daarom nu voor vanaf 1995 één grote binnenlandse concurrent van PTT Telecom op het gebied van telefoonnetten toe te staan. Vanaf 1998 zou er concurrentie in telefonie moeten komen. Dat geeft PTT Telecom nog vier jaar de tijd zich op concurrentie op dit meest winstgevende onderdeel van zijn activiteiten voor te bereiden.

Het kabinet wil het liefst dat voor het beconcurreren van PTT Telecom wordt samengewerkt door de Nederlandse Spoorwegen, de electriciteitsmaatschappijen en de kabelexploitanten. Behalve over concurrerende infrastructuur beschikken zij ook over het kapitaal, de kennis en de ervaring om die taak op zich te nemen. Eventueel kunnen zij buitenlandse expertise inkopen, maar dan wel, aldus Maij-Weggen, zonder dat “via de achterdeur” een grote buitenlandse concurrent van PTT Telecom wordt binnengehaald.

De Tweede Kamer vroeg zich gisteren echter af of PTT Telecom wel voldoende concurrentie wordt aangedaan als er in 1995 slechts één grote concurrent op het gebied van telefoonnetten komt. CDA, PvdA, VVD en D66 betoonden zich voorstander van concurrentie op regionaal niveau. Kamerlid Wolffensperger (D66) wees erop dat samenwerking van zoveel verschillende partijen als de NS, de elektriciteitsmaatschappijen en de kabelexploitanten “de slagvaardigheid niet ten goede komt”. De partijen legden zich echter neer bij het uitgangspunt van het kabinet dat over twee of drie jaar extra concurrentie mogelijk is, als de samenwerking dan nog niet van de grond is gekomen of de door McKinsey gesignaleerde knelpunten niet zijn opgelost.

Vorige week maakten de NS en de elektriciteitsmaatschappijen bekend samen te gaan werken op het gebied van telefoonnetten. Maij-Weggen zei gisteren hierover “aangenaam verrast” te zijn en te verwachten dat binnenkort ook de kabelexploitanten, verenigd in de Vecai, zich bij het samenwerkingsverband aan zullen sluiten. Probleem hierbij echter is de positie van de kabelexploitant Casema, een volle dochter van Koninklijke PTT Nederland (KPN).

Om botsingen te voorkomen tussen de belangen van de overheid als wetgever, grootaandeelhouder van de KPN en eerstverantwoordelijke voor toezicht en controle op de totstandkoming van de concurrentie, dienden de vier partijen een motie in waarin zij zeggen voor dit laatste een onafhankelijk bestuursorgaan te willen.