Joep van den Nieuwenhuyzen furieus over apart proces RDM-zaak; Hij gaat er aan, let op, hij gaat er aan

AMSTERDAM, 22 MAART. “Hij gaat er aan, let op mijn woorden, hij gaat er aan.” De furieuze Joep van den Nieuwenhuyzen, topman van het Begemann concern, wekte vanmorgen tijdens een door de Amsterdamse rechtbankpresident ingelaste schorsing van de zaak tegen hem soms de indruk dat niet hij, maar de officier van justitie mr. W. van Nierop terechtstond. “Dit is een pure beschadigingsactie van de officier”, brieste Joep.

Reden van de commotie? Kort nadat de met veel belangstelling tegemoet geziene rechtszaak tegen de van voorkennis in de HCS-affaire betichte Van den Nieuwenhuyzen, alsmede zijn medebeleggers Unigro-topman Eric Albada Jelgersma en paardefokker Leon Melchior, vanmorgen aan de Amsterdamse Parnassusweg was begonnen, kwam de officier van justitie met een toch lichtelijk opzienbarende melding: hij wilde van den Nieuwenhuyzen in de naaste toekomst ook nog eens afzonderlijk berechten wegens strafbare voorkennis ten tijde van de overname van de RDM in 1991 door Van den Nieuwenhuyzens eigen Begemanngroep. Van den Nieuwenhuyzens advocaat mr. L. Spigt spuugde vuur en noemde de manoeuvre van de officier “onfatsoenlijk”. Want had die hem niet laten doorschemeren dat de toch al zo duidelijke RDM-kwestie samen met de HCS-zaak op 22 en 23 maart in één keer zou worden afgehandeld?”

Wel had de officier vorig jaar voorgesteld op een latere datum een gecombineerde zaak tegen Van den Nieuwenhuyzen aan te spannen, maar dat hadden die en zijn advocaat ronduit geweigerd. Joep en zijn Begemanngroep hadden in het kader van de HCS-affaire immers al meer dan 2,5 jaar moeten bungelen, met alle schade voor zijn groep vandien, door Van den Nieuwenhuyzen zelf tijdens de zitting getaxeerd op 0,5 à 1 miljard gulden. En nu zouden Joep en zijn Begemann in het kader van alweer een nieuwe rechtszaak nog langer moeten bungelen. “Onverantwoord”, meende advocaat Spigt. Joep knikte instemmend: “De officier zal op zijn eigen blaren moeten zitten, let op”, meldde hij even later.

Officier Van Nierop keek zorgelijk. Een schorsing volgde en na afloop meldde rechtbankpresident Mastboom: “De RDM-zaak moet gelijk met de HCS-zaak worden meegenomen, behalve als nieuwe feiten naar voren komen die een afzonderlijke RDM-zaak nodig maken. Daarmee verloor officier Van Nierop de eerste slag in dit voor Nederland unieke strafproces. Want voor het eerst sinds Nederland het misbruik van voorwetenschap in 1989 wettelijk strafbaar stelde in een poging de handel op de aandelenmarkt doorzichtig en eerlijk te houden, komt zo'n zaak nu voor de rechter.

Sinds '89 deed de Economische Controledienst enkele tientallen onderzoeken, maar tot een strafvervolging kwam het nog niet eerder. In ongeveer zeven zaken besloot de Amsterdamse officier van justitie, mr. W. van Nierop, die belast is met beursfraude, uiteindelijk te seponeren wegens onvoldoende bewijs. De strafvervolging tegen het hoogst vermogende trio Van den Nieuwenhuyzen, paardefokker Melchior en Unigro-topman Albada Jelgersma geldt dan ook als een doorbraak in de bestrijding van misbruik van voorwetenschap waarmee de opsporingsinstanties al zo lang worstelen.

De nu onderhanden HCS-zaak wortelt in de vooralsnog duistere gebeurtenissen op 31 juli 1991. Op die dag verkocht Van den Nieuwenhuyzen mede namens Melchior en Albada Jelgersma 4,1 miljoen aandelen van het in moeilijkheden geraakte automatiseringsconcern HCS. Volgens de aanklacht had deze manoeuvre tot doel de prijs van het HCS-aandeel naar 2,50 gulden te drukken, zodat de drie op voordelige wijze zouden kunnen profiteren van een op handen zijnde onderhandse HCS-aandelenemissie.

De meningen van externe deskundigen over de zaak lopen zeer uiteen. Wel ziet het er naar uit dat het voor het Openbaar Ministerie op dit onontgonnen terrein met een minimum aan jurisprudentie toch een formidabele klus zal worden om de vermeende HCS-voorkennis van de voornoemde troika wettig en overtuigend te bewijzen.