'Ja, Vukovar is vroeger een mooie stad geweest'

Vandaag beginnen in Zagreb, onder Russische auspiciën, besprekingen tussen Kroatië en de 'republiek' Krajina, het sinds de verwoestende oorlog van eind 1991 door de Kroatische Serviërs beheerste deel van Kroatië. Tijdens die oorlog schoten de Serviërs de stad Vukovar in puin. Tweeëneenhalf jaar later is de stad nog steeds een ruïne.

VUKOVAR, 22 MAART. Vukovar binnenrijden is twee jaar na de inname door de Serviërs nog steeds onthutsend. Geen huis is ongeschonden, geen gebouw bleef gespaard, geen puinhoop is opgeruimd en geen ruïne herbouwd. In alle muren gapen gaten, overal pieken losstaande schoorstenen de lucht in. Verkoolde dakspanten tekenen zich af tegen de blauwe hemel. Daar tussendoor scharrelen kleuterklasjes op weg naar school, hangen opgeschoten jongens rond en ronkt de plaatselijke penose in grote auto's door de smalle straatjes. Want in Vukovar en het aanpalende Borovo Selo, waar de grote Bata-schoenfabriek weer aarzelend op gang is gekomen, wonen inmiddels weer zo'n twintigduizend Serviërs, die de draad van hun verstoorde leven proberen op te vatten.

Vóór de oorlog had het fraaie Donaustadje Vukovar (Wolfsburg) 55.000 inwoners, voor 45 procent Kroaten en 37 procent Serviërs. Najaar 1991 begon de belegering van de stad door het Joegoslavische federale leger en Servische milities. Na 85 dagen van bombardementen en bloedige straatgevechten werd de stad op 17 november ingenomen. Zo viel Vukovar, door de Kroatische leiders ooit bestempeld tot “het Kroatische Stalingrad waar Servië zijn definitieve nederlaag zou leiden.” Er vielen tenminste drieduizend doden. In het naburige dorpje Ovcara werd een massagraf gevonden van twee- à driehonderd Kroaten uit het ziekenhuis van Vukovar. Lokale Servische commandanten verhinderden een VN-onderzoeksmissie vorig jaar november om de lijken op te graven.

We drinken koffie op een terrasje aan de hoofdstraat. Simisa (20) verdient in het café honderd D-mark per maand, voor Belgradose begrippen vandaag de dag een heel behoorlijk inkomen. Tijdens het beleg zat hij zijn diensttijd uit in het federale leger. Toen hij terugkwam was zijn huis verwoest en waren al zijn vrienden verdwenen. Om de een of andere reden had hij alleen Kroatische vrienden. Of ze anders waren? Ze waren fanatiek katholiek en zaten steeds maar in de kerk. Dat hadden de Serviërs niet zo. “Of ik ze haat? Wat kan ik zeggen? Ik ben niet opgevoed om te haten.” Hij maakt nu nieuwe vrienden, ja, maar het zijn zijn échte vrienden niet. Over zijn vroegere vrienden praat hij niet. De mensen zouden het niet begrijpen. Ooit wilde Simisa naar de HTS, maar hij heeft zijn plannen laten varen. Hij doet zijn werk en 's avonds gaat hij, pistool op zak, naar de discotheek. Het is gevaarlijk in de stad. Twee dagen geleden zijn er 's nachts op straat twee meisjes doodgeschoten. Waarom? Hij haalt zijn schouders op en staart naar de lege raamkozijnen van de ruïne aan de overkant van de straat.

De burgemeester van Vukovar, drie maanden geleden gekozen, zetelt in een tot raadhuis omgebouwde voormalige EHBO-post. Lubomir Vukicevic was voorheen directeur van een supermarkt in het naburige dorp Brsadin. Nu bekleedt hij het hoogste ambt in een twintigste-eeuws Pompeï. “Ik ben de eerste gekozen burgemeester”, zegt hij trots, maar meteen betrekt zijn gezicht. “Ik wist niet dat het zo moeilijk zou zijn. Er is geen geld, veel mensen hebben niet te eten,” klaagt hij. Zelf heeft Vukicevic niet meegevochten, hij moest zijn huis op het dorp verdedigen. “Ja, 't is een mooie stad geweest. Het is moeilijk die tijd te beschrijven. Maar de Kroaten hebben hier huisgehouden als fascisten! In mijn Servische dorp moesten we ons met jachtgeweren op de barricaden verdedigen.”

De burgemeester veert op en verontschuldigt zich. Er is een Servische delegatie gearriveerd, er moeten oorkonden en vriendschapsbetuigingen worden uitgewisseld. De burgemeester verdwijnt en laat zich de rest van de dag niet meer zien. We wenden ons tot de boekhoudster, die uit angst voor Kroatische represailles haar naam niet in de krant wil. Van de 15.000 huizen en flats in Vukovar zijn er 11.000 verwoest. Alle burgers die zijn teruggekomen, zegt ze, zijn bij de politie geregistreerd. De meesten zijn oud-bewoners, die weer in hun eigen huizen wonen. Alleen Servische vluchtelingen uit Kroatië hebben huizen van Kroaten toegewezen gekregen. Dat is allemaal officieel geregeld, waarbij vluchtelingen ongeveer hetzelfde hebben gekregen als ze hebben moeten achterlaten. Dat mensen terugkeerden naar een huis, dat al vergeven was, is bij haar weten nog niet voorgekomen. “We kennen elkaar hier toch allemaal. Er is heus wel controle,” zegt ze defensief.

Van Belgrado krijgt Vukovar geen cent, aldus de boekhoudster. Het budget van de stad wil ze niet onthullen, maar de inkomsten zijn uitsluitend afkomstig van belastingen. De boeren in de Krajina zijn rijk en voedsel, zegt ze, is dan ook geen probleem. De prijzen zijn ongeveer hetzelfde als in Belgrado. Gas en elektriciteit zijn inmiddels weer aangesloten en het ziekenhuis werkt weer, al zijn er geen medicijnen. Criminaliteit? “Ach mevrouw, wat heet stelen als je alles kwijt bent geraakt? In een oorlog zijn twee agenten per burger nog niet genoeg.” De politie van de door bijna niemand erkende 'Servische republiek Krajina' surveilleert, maar een gevangenis heeft de stad niet meer. Arrestanten gaan naar Beli Monastir.

De boekhoudster is in Vukovar geboren. Haar geboortehuis is door zes granaten verwoest, maar ze zweert het weer op te zullen bouwen. Eigenhandig heeft ze een naburig huis, waarvan de eigenaar niet meer is op komen dagen, bewoonbaar gemaakt. Ze vervloekt het Kroatisch terrorisme, dat de oorzaak van alle ellende is geweest. “Dit is nooit Kroatisch grondgebied geweest. De meerderheid was hier altijd Servisch! Het is de schuld van de ustasi, maar die propagandaoorlog hebben wij allang verloren.” Voor haar is er maar één oplossing: aansluiting bij Servië en wel zo snel mogelijk.

Waar mensen in Vukovar van leven blijft intussen een raadsel. Er is een marktje, hier en daar hebben winkels hun deuren geopend, in de hoofdstraat is zelfs een nieuwe pizzeria, waar geheel volgens het cliché louter mafiose types rondhangen. Tegenover de pizzeria staat de bank maar, nee, geld hebben ze niet in huis, zegt een verschrikte employé als we onze neus om de hoek van de deur steken. In de schoenfabriek (vroeger goed voor 20 miljoen paar schoenen per jaar) werken weer zo'n drieduizend mensen, tegen 22.000 arbeiders vóór de oorlog, maar als we ons bij de poort melden, blijkt de produktie vandaag toevallig stil te liggen omdat er geen geld is om rubber en mazout te kopen.

De kinderen van Vukovar - je ziet ze overal - gaan allang weer naar school. Radojka Serbic, directrice van een lagere school met 950 leerlingen, is op haar hoede. Tot haar etnisch gemotiveerde ontslag in 1991 was ze onderwijsinspecteur van het Kroatische ministerie van onderwijs in Osijek. Ze werkte met het Kroatische lesprogramma, dat flexibeler en moderner was en minder schools en disciplinair dan het Servische, dat inmiddels op de school is ingevoerd. Zelf, zegt ze voorzichtig, probeert ze nu een beetje tussen beide systemen in te schipperen. Voor zover mogelijk houdt ze ook contact met haar Kroatische collega's. De kinderen zijn moeilijk, agressief en gaan snel op de vuist. Ze hebben heel verschillende ervaringen. Sommigen zijn Vukovar tijdens het beleg ontvlucht en hebben dus niks meegemaakt, anderen hebben drie maanden onder beschieting in kelders gewoond.

Serbic doet zichtbaar haar best het hoofd koel te houden. “We hebben dit conflict zien aankomen. Nu is het een feit en zijn de Kroaten weg. Kinderen zijn realistisch, ze hebben het opsplitsen van het land aan den lijve ondervonden. Wat gebeurd is is gebeurd. Kroatië is nu ons buurland. We kweken geen haat.” Op de schuldvraag antwoordt de directrice aarzelend: “Tudjman en Milosevic misschien? Toen Tudjman aan de macht kwam, hadden we daar wel een negatief gevoel over. Maar niemand had verwacht dat er zulke wrede dingen zouden gebeuren.” Ziek zou ze haar land niet willen noemen, zegt ze, bijna beledigd. “Ik ben toch zelf lid van deze maatschappij? Heus, de bevolking kan er niks aan doen.”

In een schuchter namiddagzonnetje zit Branka (66) voor de deur van haar redelijk intact gebleven huis met de buren koffie te drinken. Aan de overkant van de straat, zegt ze wijzend op de ruïnes, woonden allemaal Kroaten. Hier is van huis tot huis keihard gevochten. Haar man werd door een granaatscherf getroffen en stierf. Ze toont me haar huis. Het is er steenkoud en vochtig, de ruiten zijn stuk en de muren gescheurd en verzakt door de granaatinslagen. Maar ze heeft een dak boven haar hoofd. Eén kamer heeft ze onderverhuurd aan een jonge officier en in de bijkeuken piepen krielkuikens in een kartonnen doos onder een warme lamp. Ach, we zijn allang blij dat we leven, zegt Branka en de buren knikken instemmend.

In de winkel op de hoek is voor slechts 5 dinar een literfles zelfgestookte rakija te koop. “Vertelt ú mij nou eens,” zegt de jongen achter de toonbank, “wie hier achter zit? Wij toch niet zeker? Denkt u ook niet dat de Amerikanen en de Duitsers achter de schermen aan de touwtjes trekken?” Iedereen heeft hier zo zijn eigen verklaring voor de wezenloze dingen die zijn gebeurd en met de werkelijkheid heeft die doorgaans maar zeer zijdelings iets te maken. De jongen is tijdens de oorlog in Vukovar gebleven, maar vrouw en kind heeft hij weggestuurd. “Alle vrouwen die het beleg hier hebben meegemaakt hebben de waanzin in hun ogen”. Twee politieagenten pakken zwijgend een krat pils uit de winkel en lopen weg zonder te betalen. “Die ene is de eigenaar,” zegt de jongen ter verduidelijking. We slaan de hoek om en zien twee mannen in blauwe overall midden tussen het puin in een put in de weer met draden. “We zijn niet van hier, we zijn van de PTT,” brommen ze en alsof ze een routineklus klaren knoeien ze rustig voort in hun bizarre omgeving.

Er is één plek in Vukovar waar alles aan kant is en dat is op het gifgroene voetbalveld van FC Vuteks, gesponsord door de Vuteks textielfabriek, lid van de eredivisie van de Krajina. Zeven granaten hebben het veld tijdens het beleg omgeploegd, maar het ligt er alweer piekfijn gemillimeterd bij. De training is net begonnen. De meesten van de 120 spelers zijn na de oorlog teruggekomen, zegt de kogelronde voorzitter Slobodan Tisov. “Hoezo weggaan uit Vukovar?” zegt hij verbaasd. “Ik ben hier geboren. We zijn allemaal teruggekomen. We willen hier leven, zonder de ustasi natuurlijk!” En hij loopt het veld op om een balletje te gaan trappen op het enige egale stukje grond in heel Vukovar.

    • Laura Starink