Duitsland concentreert zich terecht op Oost-Europa

In Europa beginnen de ruzies tussen Frankrijk en Duitsland op te vallen. Bonn heeft een nieuwe generatie politieke leiders die niet langer aanvaardt dat het land als buitenbeentje wordt behandeld.

Jonathan Eyal vindt dat we volgend jaar de overwinning op het nazisme samen met Duitsland moeten vieren.

De diplomatieke ruzie tussen Duitsland en Frankrijk is tekenend voor wat er mis is met Europa. Na de onenigheid over de aanwezigheid van de Duitse bondskanselier bij de feestelijke herdenking van de landing van de geallieerden in Normandië in 1944 en de annulering van parade voor de vertrekkende geallieerde troepen in Berlijn, maakte de Franse ambassadeur in Bonn, François Scheer, een enorme blunder toen hij de Duitse pers informeerde over de bezorgdheid van de Franse regering over het Duitse Europa-beleid.

Scheer beklaagde zich erover dat Duitsland zijn mede-lidstaten ertoe zou hebben geprest Oostenrijk, Zweden, Finland en Noorwegen als EU-lid toe te laten. Bovendien suggereerde hij dat Bonn verzuimt zijn beleid voor Oost-Europa binnen de EU te coördineren. Daarmee trok kanselier Kohls Europese gezindheid in twijfel.

Na enige opgewonden diplomatieke gedachtenwisselingen lijkt het geschil te zijn bijgelegd. Scheer ontkent zowaar dat hij ooit gezegd heeft wat hij volgens de Duitse media zou hebben beweerd, en de Duitse en Franse ministers van buitenlandse zaken haastten zich te vertellen dat ze de afgelopen dagen “veelvuldig” met elkaar hebben getelefoneerd. De Frans-Duitse as, die zo lang de spil leek van West-Europa, doet in werkelijkheid denken aan echtelieden wier huwelijk onherstelbaar beschadigd is, maar die nog wel samen naar etentjes gaan, voornamelijk om de schijn op te houden tegenover de buren. Ambassadeur Scheer had het geheel en al bij het verkeerde eind: niet Duitsland is het probleem van Europa, maar het onvermogen van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk om de nieuwe realiteit in Europa onder ogen te zien.

De Frans-Duitse as was gebaseerd op drie pijlers. De eerste was dat de grenzen van het continent niet behoefden te worden gemarkeerd: alles ten oosten van de Berlijnse muur werd als reddeloos verloren beschouwd. De tweede was een instinctmatige overtuiging dat het ideaalbeeld van 'Europa' praktisch samenviel met de nationale belangen van Frankrijk en Duitsland. En ten slotte was er de fictie dat Frankrijk en Duitsland ondanks hun veranderende economische toestand, als gelijken met elkaar konden blijven omgaan onder leiding van kanselier Kohl en president Mitterrand, die zich graag hand in hand in het openbaar vertoonden. Bonn had dan wel het geld, maar Parijs had de kernwapens en een visioen waarin alle Frans beleid automatisch als wet gold voor Europa.

Meteen na de ineenstorting van het communisme deden Mitterrand en Kohl allebei alsof er niets veranderd was. Bonn bleef loze kreten slaken over “Duitse eenheid binnen Europese eenheid”, terwijl Mitterrand nog altijd meende dat een herenigd Duitsland in de hand te houden zou zijn in een door Frankrijk gedomineerd Europa. Nu blijkt de zinloosheid van deze vertoning.

De vliegende haast waarin het Verdrag van Maastricht moest worden geratificeerd, het strikte tijdschema voor de monetaire eenwording, kwamen voort uit de overtuiging van Frankrijk dat alleen de verdwijning van de Duitse mark kon voorkomen dat Duitsland zijn economische macht zou omzetten in politieke invloed. Alles moest worden geofferd voor deze droom: Oost-Europa moest voorlopig aan de kunstmatige ademhaling blijven en er kon een handelsoorlog ontbranden tussen de VS en Japan. In Franse ogen was er voor 'Europa' maar één in Parijs geconcipieerde bestemming mogelijk, het alternatief was totale ineenstorting. Deze onzin werd aanvankelijk nog gemaskeerd doordat kanselier Kohl het spel nog meespeelde. Maar inmiddels druist het Franse beleid veelvuldig in tegen de Duitse nationale belangen. De meningsverschillen tussen Parijs en Bonn beginnen op te vallen.

Veel Franse diplomaten en intellectuelen zien in het Duitse enthousiasme voor uitbreiding van de EU een poging de organisatie te verlammen, òf een verkapte poging om de macht over te nemen. Deze interpretatie zegt meer over de Franse obsessies dan over de Duitse realiteit. Want de waarheid is simpel. Als grote contribuant aan een unie die de helft van haar begroting nog altijd aan nutteloze agrarische subsidies besteedt, beschouwt Duitsland de toetreding van Oostenrijk en de Scandinavische landen als een versterking van zowel de EU-begroting als van de uiteindelijke doelstelling: een Europa waar vrije handel wordt gedreven tot voordeel van iedereen, en niet een Unie gericht op de bescherming van belangengroepen zoals de Franse vissers of de Griekse fêta-boeren.

Dat beginsel geldt ook voor Oost-Europa. Sinds 1989 biedt het westen Oost-Europa het ene na het andere vriendschaps- of associatieverdrag - maar niet het volledig lidmaatschap van de instellingen die op het continent ertoe doen. Zeker, de Britten en de Nederlanders hebben plannen geopperd voor oostwaartse uitbreiding van de Unie, maar die plannen wees Parijs meestal van de hand als onbeduidend of als een 'complot' om de Unie verder te verzwakken. Op een zeker moment dreigde Frankrijk een stokje te steken voor het associatieverdrag tussen de EU en Hongarije wegens een geschil over de export van vijfhonderd ton Hongaars rundvlees.

Duitsland domineert inderdaad de economie van Polen, Tsjechië en Hongarije, maar dit is niet het gevolg van een duister plan om de Duitse hegemonie in het oosten te herstellen - de Duitsers willen niets liever dan dat hun westerse bondgenoten meehelpen aan de wederopbouw van Oost-Europa. Duitse ondernemingen domineren in de voormalige communistische wereld omdat ze bereid zijn risico's te nemen, een lange historische ervaring in de regio hebben en omdat de arbeidskosten in Duitsland torenhoog zijn. Investeren in het Oosten dient het belang van geheel Europa, niet alleen dat van de Duitsers. En dat Duitsland zich naar het oosten zou afwenden en zijn belangen in het westen veronachtzamen is onzin: maar liefst 78 procent van de Duitse export blijft nog altijd binnen de EU.

Frankrijk heeft zich nooit gerealiseerd dat Duitsland alleen binnen de westerse organisaties is te houden als die organisaties oostwaarts worden uitgebreid. Parijs en Londen kunnen nog jaren discussiëren over het voor en tegen van diverse constructies voor een Europees veiligheids- of economisch beleid, maar Duitsland, dat van troebelen in het oosten rechtstreeks de gevolgen ondervindt, kan niet riskeren dat de economieën van Polen of Tsjechië stuklopen. Dus óf de Unie pakt deze problemen gezamenlijk bij de kop, óf Duitsland zal het alleen moeten doen.

Het besluit van Duitsland om de leiding te nemen in de dialoog over de uitbreiding kwam voort uit het besef dat niemand het initiatief zou nemen als Bonn het niet doet: het zwakke Griekse voorzitterschap had de onderhandelingen met de Scandinavische landen niet rond kunnen krijgen, terwijl het Duitse voorzitterschap, dat in juli begint, kanselier Kohl de kans geeft om nieuwe initiatieven in oostelijke richting te ontplooien. De Duitsers waren misschien niet erg tactvol, ze deden het in het belang van het continent. Frankrijk heeft zijn malaise aan zichzelf te wijten: een visser die zijn boot aan een onderzeeër afmeert, mag niet klagen als de onderzeeër opeens besluit te duiken.

Dit jongste geschil moet een les zijn voor heel Europa. Dat Duitsland tegelijk een economische reus en een politieke pygmee zou kunnen zijn, was een dwaze gedachte. De generatie Duitse leiders die instinctief accepteerden dat hun volk het begrip democratie nog moest leren en geen internationale verantwoordelijkheid kon dragen, begint uit te sterven. De nieuwe generatie politieke leiders in Bonn aanvaardt niet langer dat het land een buitenbeentje is en dat Duitsers worden behandeld als potentiële delinquenten die niet op een verantwoordelijke manier met macht kunnen omgaan. Frankrijk, Groot-Brittannië en alle andere bondgenoten moeten Duitsland helpen zich aan zijn nieuwe omstandigheiden aan te passen en niet de Duitse leiders overladen met verwijten. Volgend jaar, als de overwinning op het nazisme vijftig jaar oud is, moeten we dat vieren samen met de Duitsers, die de zege van 1945 haar ware inhoud hebben gegeven: de triomf van een duurzame democratie op Duitse bodem.

    • Jonathan Eyal