De FNV moet de achterban nodig weer op een lijn krijgen

Verdeeldheid in de vakbeweging heeft het unanieme advies van de Sociaal Economische Raad getorpedeerd. Kroonlid D.J. Wolfson van de SER verwijt de FNV de overlegeconomie in gevaar te brengen. De belangen van de werkenden krijgen teveel voorrang boven die van niet-werkenden.

Vrijdag jongstleden heeft de SER zijn advies over het sociaal-economisch beleid in de komende kabinetsperiode vastgesteld. Behalve brede overeenstemming op hoofdlijnen bleek er verdeeldheid op onderdelen. Op zichzelf niet onbegrijpelijk, omdat het toch wat klef aan zou doen als we het altijd overal over eens zouden zijn, in een land waar het parlement alleen eenstemmigheid bereikt over de begroting van het Koninklijk Huis. Opmerkelijker was dat er in de openbare behandeling voor het eerst 'in eigen kring' vraagtekens werden gezet bij het functioneren van de overlegeconomie.

Waar het om ging was dat dit advies op een haar na de kans miste om het 'akkoord van Wassenaar' naar de kroon te steken, het zo succesvolle akkoord dat Kok en Van Veen in 1982 wisten af te sluiten als grondslag voor de economische opleving in de latere jaren tachtig. Ook nu bleek de vakbeweging als geheel in de voorbereidingsfase nog zodanig doordrongen van de noodzaak van een herstel van werkgelegenheid, dat het ernaar uitzag dat de raad met dit advies zijn vooraanstaande plaats in ons bestel zou heroveren. In die geest kwam een indrukwekkend pakket van aanbevelingen ter activering van het arbeidsmarktbeleid tot stand. Een hoeksteen daarvan was de strakke aanbeveling om de toetredingsmogelijkheden voor moeilijk plaatsbare werklozen te vergroten, door onderin CAO's leeftijd als beloningsgrondslag te vervangen door ervaringsjaren. Met het afschaffen van wat het jargon de 'vakvolwassen leeftijd' noemt, zou inhoud gegeven worden aan het al zo vaak bepleite opvullen van de ruimte tussen de wettelijke minimumloon en de laagste CAO-schalen.

Als 'tegenprestatie' werd door werkgevers en kroonleden onderkend dat flexibilisering en openstelling van de arbeidsmarkt voor 'outsiders' geloofwaardigheid ontbeert als er niet tevens voor nieuwe banen wordt gezorgd. Hiertoe werd in de eerste plaats teruggegrepen op voortgaande loonmatiging, het zo succesvolle recept uit het akkoord van Wassenaar. Maar daarnaast brachten de onafhankelijke kroonleden een voor de vakbeweging veel aantrekkelijker element in discussie: een verlaging van de fiscale en premielasten op arbeid van vijftien miljard, een impuls van enkele procenten van het nationaal inkomen om nieuwe banen te scheppen.

Aannemende dat het totale overheidsbeleid zich zou blijven afspelen binnen het zogenoemde behoedzame scenario van het CPB (niet meer dan 1,75 procent groei), dat er een geloofwaardige dekking en invulling van de beoogde lastenverlichting gevonden zou worden en dat althans een deel van de vruchten van de daarmee beoogde groeiversnelling in het overheidstekort zouden lopen, mocht van een dergelijke aanpak eveneens een voortgaande sanering van de overheidsfinanciën verwacht worden.

Tot zover het goede nieuws. Zoals niet hoeft te verbazen, stuitte de invulling van de bekostiging van dit plan op problemen, zo vlak voor de verkiezingen. Het AOW-debat in en om het CDA dwong de FNV welhaast tot een betuiging van trouw aan koppelingsmechanismen, en de timing van de door het kabinet aangekondigde lastenverlichting maakte het verleidelijk om voor een dubbeltje op de eerste rij te gaan zitten. De rest van het verhaal is bekend. Het advies verloor aan unanimiteit, niet alleen omdat we het niet eens werden over de bekostiging van de lastenverlichting maar, erger nog, doordat de Industriebond FNV de duidelijke aanbeveling om de vakvolwassen leeftijd af te schaffen had verwaterd tot een vrijblijvende tekst, en doordat ook de Abva-Kabo het beschermen van de eigen 'insiders' belangrijker vond dan het scheppen van nieuwe werkgelegenheid met een programma van vijftien miljard gulden. Sterker nog, die vijftien miljard lastenverlichting werd schielijk in de zak gestoken, zonder de gevraagde tegenprestatie om de toetreding van 'outsiders' tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken.

Waarom die vrijblijvendheid? Waarom deed voorzitter Vrins van de Abva-Kabo dit ambitieuze werkgelegenheidsplan van de SER af als 'borrelpraat'? (NRC Handelsblad, 12 maart). Staan Industriebond FNV en Abva-Kabo nu achter de moeilijk plaatsbaren, of houden ze hen liever buiten de deur?

Dat is de vraag waar het ongebruikelijk harde debat van vrijdag geen bevredigend antwoord op bood. De MHP en de CNV hebben het gevaar van uitsluiting van moeilijk plaatsbaren onderkend, de FNV is daar ontwijkend over. Als er geen werkelijke politieke wil is, bij een deel van de vakbeweging, om krachtige steun te geven aan een beleid dat is gericht op de integratie van 'outsiders' in het arbeidsbestel, dan wordt onduidelijk waarom we het financieringstekort in de waagschaal moeten stellen met een forse lastenverlichting.

Iedere vakbeweging staat voor het dilemma of zij zich wil richten op een exclusieve belangenbehartiging van de 'insiders' die werk hebben, of zich ook sterk wil maken voor de 'outsiders' zonder werk. De Nederlandse vakbeweging dwingt internationaal respect af door zich als regel niet te verliezen in een enge belangenbehartiging, maar ook door op te komen voor mensen die aan de kant staan (en vaak helemaal geen lid zijn). Dat is niet niets, het is iedere keer weer een dubbele uitdaging om het 'insider/outsider'-dilemma te vertalen van woorden in daden, en daar alle bonden nog in mee te krijgen ook. Dat laatste is Stekelenburg en De Waal deze keer niet gelukt, en dat is een slag voor het FNV als geheel, want als Industriebond en AbvaKabo de kans krijgen hun eigen mensen onderuit te halen, verliest de FNV als zodanig invloed in het tripartite overleg in de SER.

Dat tripartite karakter, met een hoofdrol voor kroonleden als derde geleding naast werknemers en werkgevers, is wat de SER onderscheidt van de Stichting van de Arbeid (STAR), waar de sociale partners onder elkaar zijn. Dat heeft de wetgever zo gewild: kroonleden moeten het algemeen belang gestalte geven, en daarmee de advisering van sociale partners uittillen boven een te schrale belangenbehartiging. Dat doen ze door bruggen te bouwen, binnen en buiten de SER. Binnen door mogelijkheden voor overeenstemming af te tasten, buiten door de resultaten binnen te brengen in de kring van de opiniemakers en de politiek. Die rol is overigens niet onomstreden, want werknemers en werkgevers zijn het diep in hun hart eens dat de SER eigenlijk een Stichting van de Arbeid zou moeten zijn, met wat kroonleden in een opfleurend bijrolletje, als dienstbode die een brief binnenbrengt, of zo. Wie de hoofdrol van de kroonleden miskent, ontneemt zichzelf als werknemer of werkgever de mogelijkheid zijn achterban duidelijk te maken dat overleg in de SER knokken op twee fronten is: tegen de belangen van de andere sociale partner, en tegen die van de rest van Nederland die meekijkt door de ogen van de kroonleden. Daar staat tegenover dat winnen in dat gevecht ook een uitstekende uitgangspositie in de Haagse besluitvorming betekent. Dat vraagt niet om vrijblijvendheid, maar om loyaliteit van achterbannen. Voorzitter Quené waarschuwde vrijdag terecht dat de overlegeconomie niet kan functioneren als de interne democratie van de achterbanraadpleging verschraalt tot ongeorganiseerd wantrouwen. Het is niet moeilijk om te begrijpen waarom de middelpuntvliedende krachten zo groot zijn, in de grootste vakcentrale van het land. Je zult er maar voor staan. Maar van begrip alleen kunnen we niet leven. Het is te hopen dat Stekelenburg al zijn troepen de volgende keer weer op één lijn krijgt, want een eendrachtige vakbeweging kan meer doen voor de werkgelegenheid dan drie kabinetten-Lubbers bij elkaar; dat heeft het akkoord van Wassenaar ons geleerd.

    • D.J. Wolfson
    • Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad