De afperser die netjes wilde zijn

In december 1992 kregen zes Nederlandse bedrijven - Royco, Iglo/Ola, Vrumona, Douwe Egberts, Remia en De Ruijter - een brief die een rilling joeg door de directionele ledematen. De briefschrijver liet weten dat de stichting die hij vertegenwoordigde, in grote financiële problemen zat. Misschien wilden de aangeschreven bedrijven een handje helpen bij het saneren van de schuldenlast?

Nee? Ach, dat was nou vervelend. In dat geval, liet de briefschrijver bedroefd weten, zou de stichting zich genoodzaakt zien “uw produkten te voorzien van een stof die een zeer kwalijke uitwerking heeft op de gezondheid van de gebruiker van uw produkten”. Gelukkig voegde de briefschrijver er in één adem aan toe “dat wij ons niet verlagen tot ordinaire afpersing”. De brief moest meer gezien worden als een vorm van “pressie”. Als het bedrijf bereid was een lening van 25 mille te verstrekken, zou dat bedrag na een jaar keurig worden terugbetaald, zelfs met vermeerdering van rente. Zeg nou zelf: was dat geen redelijk aanbod?

De bedrijven vonden van niet. Ze zagen al de krantenkoppen voor zich over bedorven ijsjes en diarreeverwekkende soepen en ze belden ijlings de politie. Kalm blijven, adviseerde de politie (dat blijft ze zelf ook altijd), en rustig even afwachten.

In de brief waren nadere instructies bijgesloten. Al de volgende dag moest het verlangde bedrag in een enveloppe bij de receptie worden gedeponeerd, waar het “door een van onze koeriers” zou worden afgehaald. Zo ver is het nooit gekomen. De briefschrijver werkte met 'koeriers' die niet wisten waarvoor zij gebruikt werden. Toen een van hen naar een bedrijf belde met de vraag of “het pakje” klaar lag, kreeg hij het slimme antwoord: “Kunnen we u zo even terugbellen?” De 'koerier' gaf zijn telefoonnummer en kreeg terstond de politie op zijn dak. Geschrokken onthulde de man daarop de naam van zijn opdrachtgever.

Vandaag staat de briefschrijver, Simon Kosters, terecht voor de Utrechtse politierechter. Zijn bejaarde vader kijkt bezorgd vanaf de publieke tribune toe. Kosters, een keurig uitziende man van ruim dertig, is de enige bedenker en uitvoerder van deze poging tot afpersing. Het gaat om een ernstig delict waarop maximaal negen jaar gevangenisstraf staat. De zaak zou zwaar genoeg zijn geweest voor behandeling door de meervoudige kamer, die hoger mag straffen dan de politierechter. Maar de wegen van het Openbaar Ministerie - dat zelf mag kiezen bij welke kamer het een zaak aanbrengt - kunnen ondoorgrondelijk zijn.

“Hoe kwam u op dit idee?” vraagt de politierechter, mr. J. Sijbrandij.

“Door een vriend die bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne had gewerkt. Hij vertelde dat bedrijven daar soms hun spullen laten onderzoeken, uit angst dat er iets inzit. Volgens hem was er ook een bedrijf dat wel eens gezwicht was voor afpersing.”

“Uw brief was nogal overtuigend door taalgebruik en details. Maar van die lening - dat kon u toch niet menen?”

“Die gedachte had ik wèl.”

“De illusie?”

“Ja.”

“U had grote schulden”, constateert de rechter, “maar als u in totaal anderhalve ton van die bedrijven had geïncasseerd, zou u er aardig wat aan hebben overgehouden.”

De verdachte spreekt het niet tegen. Hij is al eens eerder veroordeeld voor valsheid in geschrifte en diefstal. Zijn misstap was geen incident, maar een uitbreiding van het patroon dat zijn leven tot dusver heeft overheerst. Hij was een blufferige zakenman, medeëigenaar van een klein reclamebureau, 'Beeldvorming' geheten. Het bedrijf zat diep in de schulden, maar Kosters deed lange tijd alsof er niets aan de hand was. Hij vond het aan zijn stand verplicht om op grote voet te leven.

“Dit misdrijf is óók een kwestie van beeldvorming”, merkt zijn advocaat, mr. M. Le Poole, fijntjes op. “Hij wilde het beeld overeind houden dat men van hem had. Het beeld van de snelle jongen die het wel even zou maken in zijn lease-auto. In werkelijkheid was hij iemand met weinig zelfvertrouwen. De schulden van zijn bedrijf liepen op tot 80.000 gulden. Daarvan moest in december 1992 30.000 gulden opeens op tafel komen. Een faillissement dreigde.”

Onder druk van die omstandigheden besloot Kosters tot afpersing over te gaan. Ook dat was bluf, volgens de advocaat. Kosters zou nooit van plan zijn geweest de produkten van de betrokken bedrijven daadwerkelijk te vergiftigen. Maar Le Poole bagatelliseert het misdrijf niet: “Is het schrijven van zulke brieven gelijk te stellen aan het bedreigen met geweld? Volgens de Hoge Raad wèl.”

De reclassering kon een groot deel van 1993 - na het misdrijf dus - geen land met Kosters bezeilen. Hij voelde er niets voor zijn levensstijl te veranderen. Zijn schulden liepen tot boven de ton op.

“Mijn levenshouding is altijd geweest: liegen, je beter voordoen dan je bent”, zegt hij tegen de rechter. “Op het laatst ga je er zelf in geloven, ook omdat de mensen je op een voetstuk zetten.”

“Er was geen zinvol contact met hem mogelijk”, zegt een mevrouw van de reclassering, “hij bleef maar doorgaan met zijn leugens.”

De kentering trad in het najaar in. Hij had inmiddels een nieuwe vriendin gekregen, was weer bij zijn ouders ingetrokken en had een baan in loondienst aanvaard. “Hij is over de streep”, zegt zijn advocaat, “hij heeft besloten zichzelf en anderen niet langer voor de gek te houden.”

“U bent inmiddels vader geworden”, zegt de rechter, “misschien is dat voortaan ook een beletsel voor vluchtgedrag.”

De verdachte knikt. “Materialisme was altijd heel belangrijk voor me, maar ik heb gemerkt dat andere dingen meer voldoening geven dan nep-geluk.”

Even begint de toeschouwer te vrezen dat de verdachte nu, wenend van boetvaardigheid, de rechter om de hals zal vallen, maar de eis van de officier van justitie, mevrouw mr. E. Julsing, houdt hem gelukkig op zijn plaats: een gevangenisstraf van zes maanden waarvan twee voorwaardelijk. Dat klinkt erger dan het is, want de officier is bereid de vier onvoorwaardelijke maanden om te zetten in onbetaalde arbeid.

“Ik hoop dat ik mijn zelfvertrouwen kan verbeteren”, zegt Kosters in zijn laatste woord.

De rechter veroordeelt hem conform de eis, hetgeen in de praktijk betekent: 162 uur onbetaalde arbeid. Kosters gaat niet in hoger beroep. Hij - en zeker zijn advocaat - zullen beseffen dat het voor hem slechter had kunnen aflopen.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams