Concurrentiekracht van Nederland in Europa is duidelijk verbeterd

Met het internationale concurrentievermogen van Nederland is het minder slecht gesteld dan vaak wordt aangenomen. Vooral de loonmatiging die de afgelopen tien jaar heeft plaatgevonden, heeft een positief effect gehad. Maar er zijn te weinig werkenden en de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling dalen.

Hoewel minister Andriessen met zijn nationale economiedebat een 'sense of urgency' heeft opgeroepen, zijn er niet zo veel redenen om de noodklok te luiden over de Nederlandse concurrentiekracht. Een eenvoudige indicator daarvoor is de export. Welnu, volgens de meest recente schattingen is die in de eerste negen maanden van 1993 licht gestegen, althans in volume, en dat in een krimpende markt. Weliswaar bleven de exportprijzen dalen, met als gevolg een verdere verslechtering van de ruilvoet, maar blijkbaar slaagt het Nederlandse bedrijfsleven erin zijn positie vast te houden. Op onze traditionele afzetmarkten, de landen van de Europese Unie, ging het vorig jaar minder slecht dan eerder was verwacht, en in Oost-Europa, de Amerika's, Afrika en Azië ging het zelfs goed tot uitstekend.

Ook over een langere termijn bekeken moet het oordeel over de Nederlandse prestaties in internationaal perspectief bepaald mild zijn, zo meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. In een artikel dat binnenkort zal verschijnen in de nieuwe CBS-publikatie 'Index', stelt medewerker Peter Oomens vast dat 1993 weliswaar een teleurstellend jaar was, maar dat Nederland met zijn zwakke economische groei van 0,3 procent in Europa toch 'in positieve zin uit de toon valt'. Daar komt bij dat ons land de afgelopen tien jaar een werkgelegenheidsgroei heeft laten zien die ruim boven het Europese gemiddelde lag. En wat de werkloosheid betreft: in het crisisjaar 1983 lag die een kleine twee procent bóven het EU-gemiddelde. Nu is het beeld, ondanks de zorgwekkende stijging die in 1993 inzette, heel wat minder ongunstig. De Nederlandse werkloosheid volgt de Europese ontwikkeling op een niveau van drie procent ònder het gemiddelde. En zo is er meer dat noopt tot relativering van de zorgen die de laatste tijd de kop opsteken.

De urgentie van de 'Koos Clinton Show' valt eigenlijk alleen goed te begrijpen waar het gaat om technologie, om onderzoek en ontwikkeling. De uitgaven daarvoor zijn sinds 1987 aan het afnemen, zowel bij het bedrijfsleven als bij de door de overheid gesubsidieerde research en ontwiokkeling (R&D). Daar moeten we nu de tol voor betalen. Op de wereldranglijst voor R&D prestaties, zoals die is opgenomen in het jaarlijks verschijnende World Competitiveness Report (een uitgave van de business school IMEDE in Lausanne en het World Economic Forum, beroemd van de jaarlijkse topbijeenkomsten in Davos), duikelden we vorig jaar van de zesde naar de twaalfde plaats.

Andere indicatoren laten echter zien dat de Nederlandse concurrentiekracht het afgelopen decennium in veel opzichten wèl is versterkt. Het CBS is zeer uitgesproken in zijn verklaring voor Nederlands' flink verbeterde relatieve positie in Europa. Dat heeft vooral te maken met het feit dat de loonkosten per eenheid produkt hier veel minder stegen dan in de rest van de Europese Unie (overigens ook minder dan in de Verenigde Staten). Het keerpunt lag in 1983 toen de sociale partners middels het beroemde 'akkoord van Wassenaar' besloten tot loonmatiging. Gedurende het daaropvolgende decennium bedroeg de stijging van de loonkosten van bedrijven jaarlijks gemiddeld 1,1 procent. In Duitsland was dat 2,0%, in de Europese Unie als geheel 4,3%, in de Verenigde Staten 3,1%. CBS-medewerker Oomens schrijft: “De suggestie die uit deze cijfers spreekt is duidelijk: de loonmatiging (..) in de jaren tachtig heeft gewerkt. Minister Kok mag oud-vakbondsleider Kok (die in 1983 als FNV-voorzitter het akkoord van Wassenaar mede-ondertekende) dus feliciteren.”

Oomens wijst erop dat de werkgelegenheid tussen 1970 en 1983 in arbeidsjaren gemeten nauwelijks toenam. Daarna steeg het tempo naar 1,4% per jaar, tegen 0,4% in Europa als geheel. Nederland kwam hiermee in de buurt van banenkampioen Amerika, waar de werkgelegenheidsgroei tussen 1983 en 1993 op 1,7% per jaar lag. Dat deze op zich fraaie prestatie niet voldoende was, moge duidelijk zijn. Maar het probleem zit hier veel meer in de daling van het aantal arbeidsuren per arbeidsjaar en in het grote aantal niet-actieven (WAO-ers en VUT-ers). Daardoor wordt er per saldo in uren gemeten toch nog steeds minder gewerkt dan in 1970. Zonder de loonmatiging van de jaren tachtig zou die situatie echter nog veel slechter zijn geweest.

Wat is er nog meer veranderd sinds begin jaren tachtig? Een vergelijking van de verschillende edities van het World Competitiveness Report geeft het volgende beeld. Op het Competitiveness Scoreboard, de optelsom van in totaal acht factoren, opgebouwd uit 330 kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, nam Nederland gedurende de jaren tachtig meestal 7e of 8e plaats in en moest het de Verenigde Staten, Japan, Zwitserland, Duitsland en (wisselend) Canada en Denemarken voor zich laten. Uitschieters in negatieve zin waren 1984 en 1990. Het vorig jaar en het jaar daarvoor waren daarentegen topjaren: Nederland behaalde de zesde plaats. Deze verbetering - weliswaar niet erg spectaculair, maar toch - heeft vooral te maken met betere scores op de factoren 'kracht van de nationale economie', 'rol van de overheid', en 'infrastructuur'. Waar het gaat om de kracht en dynamiek van de nationale economie bevond Nederland zich begin jaren tachtig in de middenmoot van de 22 OESO-landen die steeds in de rapporten vergeleken worden. In 1985 duikelden we omlaag naar de negentiende plaats, daarna klommen we geleidelijk naar de achtste plaats, onder andere door een goede groei van het bruto binnenlands produkt (met name eind jaren tachtig), een lage inflatie, flinke binnenlandse besparingen en een betrekkelijk gering recessiegevaar. Opmerkelijk is dat we sinds de tweede helft van de jaren tachtig veel beter scoren op de factor 'financiële dynamiek', die is samengesteld uit elementen als: de beschikbaarheid en de prijs van kapitaal, de rendementen op investeringen, de kwaliteit van de financiële dienstverlening en de omvang van de handel aan de effectenbeurs. We mogen onszelf op dit gebied nu tot de top-4 van de OESO-landen rekenen: in 1983 stonden we op een schamele vijftiende plaats.

Een geleidelijke verbetering valt ook te signaleren met betrekking tot de rol van de overheid in de economie. Die was tot eind jaren tachtig in veel opzichten een belemmerende, maar de laatste paar jaar gaat het de goede kant op. Vooral het terugdringen van het overheidstekort, lastenverlichtingen in de belastingsfeer en een subsidiebeleid dat zich meer dan vroeger richt op kansrijke bedrijven hebben bijgedragen aan Nederlands' hogere score wat deze factor betreft. Er zijn in de ogen van de samenstellers van het Competitiveness Report overigens nog steeds veel negatieve kanten aan de rol van de staat: te hoge premies, een milieubeleid dat naar het gevoel van ondernemers te weinig rekening houdt met de economische realiteiten, en - een oude klacht - het te weinige soepele ontslagrecht. Desondanks zijn we in tien jaar tijd op de ranglijst voor 'economie-stimulerende overheid' omhooggekrabbeld van de 16/17e plaats naar de tiende, naar de middenmoot dus. Iets dergelijks geldt voor de factor 'infrastructuur' waar we van de 15/16e plaats naar de elfde zijn opgerukt. Nederland is het land met de best toegankelijke havens, zo blijkt uit het WCR 1993, en ook de toegankelijkheid via de lucht is heel redelijk. We zouden wel wat meer moeten investeren in data- en telecommunicatienetten.

Blijven dus vooral twee problemen, die terecht de laatste tijd volop in de aandacht staan: het inzakken van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, en het nog steeds te geringe aantal werkenden. Wat het laatste betreft: zoals uit bijgevoegd lijstje van sterkten en zwakten blijkt, wijst het Competitiveness Report met name de hoge premie- en belastingdruk en de starre arbeidswetgeving als oorzaken aan. In eerder genoemde CBS-analyse wordt erop gewezen dat Nederland echter niet het enige land in Europa is dat met een structurele werkloosheid schijnt te kampen. Sinds 1970 zijn er drie belangrijke crises geweest: de oliecrisis van 1974-1975, de recessie van 1981-1982 en de huidige malaise. De herstelperiodes na de beide eerstgenoemde leidden weliswaar tot nieuwe werkgelegenheidsgroei, maar onvoldoende om het eerdere verlies te compenseren. De kans is groot dat dit ook nu weer zal gebeuren. Volgens IMEDE-professor Stéphane Garelli, de directeur van het World Competitiveness Project, zijn daar in grote lijnen drie oorzaken voor: de technologische revolutie (met name in computers en telecommunicatie), de verbetering van bedrijfsprocessen, en de snelle groei van de Aziatische concurrentie op een toenemend aantal terreinen. Dit alles leidde in de westerse landen tot een scherpe nadruk op efficiency en produktiviteit, tot tal van herstructureringen in met name grote, internationale ondernemingen, en sinds enige tijd ook tot het uitdunnen van ver uitgedijde staforganen. Garelli meent dat hier zo langzamerhand een einde aan moet komen, aangezien ondernemingen die hun medewerkers teveel als wegwerpartikelen zien, te kampen zullen krijgen met demotivatie. Wie flexibiliteit, inzet en betrokkenheid van zijn mensen eist, zal hen ook zekerheden moeten bieden, aldus Garelli. Gemotiveerd personeel is immers een belangrijke voorwaarde voor concurrentiekracht.

Dat de trend tot verplaatsing van produktie naar lage lonen landen, die hier ten lande nogal eens wordt aangevoerd als oorzaak van de toenemende werkloosheid, zal voortbestaan, staat volgens het WCR 1993 vast. De reden is simpel: alle drie de grote economische blokken hebben dergelijke goedkope landen nu naast de deur. Japan heeft al in de jaren tachtig veel geïnvesteerd in allerlei Oost-Aziatische landen met een lager loonpeil; de VS deden dat in Mexico en sloten daarmee een vrijhandelsverdrag; en West-Europa kreeg als laatste toegang tot hun eigen lage-lonen-gebied in de vorm van Centraal en Oost-Europa. Tegen deze achtergrond heeft het Europese bedrijfsleven, en met name de industrie, geen andere keus dan dit nieuwe voordeel uitbuiten en meedoen met de produktieverplaatsing. In de internationale concurrentiestrijd is dit simpelweg een voorwaarde voor overleven geworden.

De broodnodige werkgelegenheidsgroei zal de komende jaren dus niet uit de industriële produktie kunnen komen, maar uit activiteiten waarin de Europese landen wèl toegevoegde waarde kunnen leveren. Het grote gevaar is dat in het kielzog van de produktieverplaatsing ook werkgelegenheid op het gebied van onderzoek en ontwikkeling naar elders verdwijnt. Volgens een recente analyse van de Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, is dit in feite al enige tijd op gang. De teruggang van de R&D activiteiten van bedrijven, waarvan de helft voor rekening van de grote vijf multinationals komt, is vooral te wijten aan Philips. Maar er is meer aan de hand, aldus de analyse, want de R&D uitgaven van de 'grote vijf' in het buitenland breiden zich het afgelopen decennium langzaam maar gestaag uit. De middelgrote bedrijven, die hun onderzoek nog wel grotendeels in eigen land verrichten, hebben intussen hun R&D uitgaven teruggedrongen, uitzonderingen als bijvoorbeeld Océ van der Grinten daargelaten. De constateringen uit de Limburgse analyse, die volledig worden bevestigd door het World Competitiveness Report 1993, zijn treurig. Nederland verricht te weinig bèta-gericht onderzoek, Nederlandse studenten kiezen nog steeds niet genoeg voor technische studies, de Nederlandse industrie weet onvoldoende rendement te halen uit high-tech activiteiten, en met uitzondering van de chemie vertoont vrijwel het gehele Nederlandse bedrijfsleven een achterstand bij innovatie ten opzichte van het buitenland. Vooral op deze gebieden kunnen de deelnemers aan de bijeenkomst van minister Andriessen komende donderdag dus spijkers met koppen proberen te slaan.

    • Marcel Metze