Aanval op de WAO

In de loop van deze eeuw heeft de Nederlandse overheid niet alleen het oppervlaktewater maar ook het persoonlijk inkomen in hoge mate ingepolderd, bedijkt en gekanaliseerd. Als resultaat van deze inspanningen nam de inkomensongelijkheid tot tien jaar geleden voortdurend af. In de loop van de jaren tachtig zijn de inkomensverschillen weer duidelijk groter geworden. Desondanks zijn de bestedingsmogelijkheden vrijwel nergens in de wereld zo genivelleerd als hier.

Veel meer dan de belastingen reguleert het stelsel van sociale zekerheid de nationale herverdeling van het verdiende inkomen. Via de sociale verzekeringen wordt dit jaar 130 miljard gulden rondgepompt, in de sociale voorzieningen gaat nog eens 26 miljard om. Het stelsel dreigt onder zijn uitkeringslasten te bezwijken nu het aantal uitkeringsontvangers het aantal werkenden dicht begint te naderen.

Vooral door de vergrijzing van de bevolking zal het beroep op het stelsel de komende tijd nog sterk toenemen. Iedereen denkt dan onmiddellijk aan de AOW. Inderdaad is de verdubbeling van het aantal uitkeringsontvangers sinds 1970 voor een derde het gevolg geweest van de groei van het aantal 65-plussers. Maar doorgaans wordt vergeten dat de volumegroei van de sociale zekerheid voor nog eens een derde deel valt toe te schrijven aan het toegenomen beroep op de Ziektewet en bovenal op de sociale verzekeringen tegen het risico van inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid (AAW, WAO).

Juist bij de laatstgenoemde regelingen zal de demografische invloed de komende tien tot vijftien jaar het grootst zijn. Vanaf 1995 bereikt namelijk de naoorlogse geboortegolf de leeftijdsgrens van vijftig jaar, waarboven de instroom in de WAO - althans tot nu toe - sterk toeneemt. Hierdoor loopt, uitgaande van gelijkblijvende invalideringskansen, het aantal arbeidsongeschikten tussen 1990 en 2005 met 36 procent op. Hoewel de volumegroei daarna afzwakt, telt ons land volgens becijferingen van het Centraal Planbureau tegen het jaar 2015 meer dan 1,4 miljoen WAO'ers. Deze louter demografische vooruitberekening toont nog eens aan hoe dringend het is dat een succesvol beleid wordt gevoerd om de toestroom naar de WAO in te dammen.

Recente maatregelen, die de PvdA een aanzienlijk deel van haar electorale aanhang hebben gekost, zetten nog weinig zoden aan de dijk. De wettelijke WAO-uitkering is - gemiddeld genomen - gedaald van 70 tot 61 procent van het vroegere loon. Het staat werkgevers en werknemers evenwel vrij afspraken te maken over een aanvullende uitkering. Inmiddels blijkt de feitelijke WAO-uitkering, met inbegrip van bovenwettelijke aanvullingen, slechts te zijn gedaald van 75 tot 73 procent van het laatste loon. Als gevolg van de massale 'reparatie van het WAO-gat' is de beoogde daling van de uitkering met negen procentpunten dus voor zeven punten ongedaan gemaakt. Door hieraan mee te werken, hebben de werkgevers en hun organisaties het morele recht verspeeld om bij de overheid aan te dringen op nog verdergaande ombuigingen in de sociale zekerheid.

Werkgevers kunnen die aandrang achterwege laten, aangezien zij door de grote politieke partijen op hun wenken worden bediend. Bij uitvoering van de verkiezingsprogramma's worden arbeidsongeschikten harder getroffen dan de bejaarden. CDA en VVD bevriezen de WAO-uitkeringen. Na vier jaar is hierdoor het koopkrachtverlies voor arbeidsongeschikten opgelopen tot negen procent. Bij D66 gaan WAO'ers de komende kabinetsperiode acht procent in koopkracht achteruit. De PvdA weet hun koopkrachtverlies tot twee procent te beperken.

Drie van de vier genoemde partijen intensiveren het beleid van de afgelopen tien jaar. Doordat alle pogingen om het volume te kanaliseren tot nu toe op niets zijn uitgelopen, konden omvangrijke ombuigingen op de sociale zekerheid sinds 1983 immers uitsluitend worden bereikt door de uitkeringen steeds verder te laten achterblijven bij de CAO-lonen. Mensen die werkelijk op de sociale zekerheid zijn aangewezen, werden zo het slachtoffer van bestuurlijk onvermogen om omvangrijk misbruik en oneigenlijk gebruik van met name de werknemersverzekeringen (WAO, WW en ZW) te voorkomen.

Behalve de PvdA, die het kennelijk welletjes vindt, proberen alle partijen ook het volume van de WAO te beperken. De VVD gaat daarmee het verst, door het voorstel om met ingang van 1995 voor nieuwe gevallen een 'ministelsel' in te voeren. Iedereen die zijn baan verliest of arbeidsongeschikt wordt verklaard, krijgt dan een minimum-uitkering van netto 1120 per maand, die voor een echtpaar wordt aangevuld tot 1870 gulden. Wie meer wenst, moet zichzelf straks bijverzekeren, of hopen dat zijn bedrijf een aanvullende uitkering heeft geregeld. Bovendien voeren de liberalen een 'referte-eis' in: wie minder dan vijf jaar premie heeft betaald, krijgt geen recht meer op WAO. D66 bespaart een miljard door het recht op een WAO-uitkering te beperken tot mensen die voor twee derde of meer arbeidsongeschikt worden verklaard.

De aanval op de uitkeringslasten van de WAO wordt dus met hernieuwde kracht ingezet. Vermoedelijk geeft echter de demografie de doorslag.

    • Flip de Kam