Tunesië: de retoriek van een 'democratisch alternatief'

Ingeklemd tussen het onberekenbare Libië en het langzaam in moslim-fundamentalistische handen vallende Algerije verkeert het kleine Tunesië in een nauwelijks benijdenswaardige positie. Als de radicale Libische leider kolonel Moammar Gaddafi niet zit te stoken, voelt het wel de druk van de fundamentalistische opmars in Algerije. Daartussenin presenteert de Tunesische leider Zine Abidine Ben Ali zijn democratisch alternatief: een relatief bloeiende economie en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens op elk politiebureau.

Gisteren werden er in Tunesië verkiezingen gehouden, en het bewind had zich hard ingespannen te waarborgen dat er ditmaal ook oppositie in het parlement komt, zij het een klein beetje. Het maakte de vorige keer, in 1989, niet zo'n democratische indruk dat dankzij het vigerende districtenstelsel alle parlementszetels naar het regerende Rassemblement Constitutionnel Démocratique (RCD) gingen. Een wijziging in de kieswet die aan het districtenstelsel een randje evenredige vertegenwoordiging toevoegt, verzekert de oppositie ditmaal van ten minste 19 van de 163 zetels. President Ben Ali weet zeker dat het er ook niet meer dan die 19 worden, want de legale oppositie is zwak en verdeeld, en weet geen wild enthousiasme onder de bevolking te wekken.

Men is niet zover gegaan ook een tegenkandidaat voor Ben Ali in de gelijktijdig gehouden presidentsverkiezingen te dulden. Twee gegadigden hadden zich aangemeld onder wie de ex-voorzitter van de Tunesische Liga voor de Mensenrechten, Moncef Marzouki. Maar elke kandidatuur moet worden geschraagd door de handtekeningen van 30 parlementariërs en burgemeesters, en aangezien die allen uit de RCD afkomstig zijn, waren die niet te vinden.

Honderd intellectuelen deden het afgelopen weekeinde een beroep op de regering de grondwet in dezen te wijzigen. Maar vooralsnog maken ze weinig kans. Want in feite mankeert er nogal veel aan de Tunesische democratie.

Er is namelijk wel degelijk een sterke oppositie, maar die wordt met harde hand onderdrukt, zoals het jongste rapport van de internationale mensenrechtenorganisatie Amnesty International overtuigend aantoont. Retoriek versus werkelijkheid, luidde de onderkop van dit rapport: de retoriek van de Verklaring van de Rechten van de Mens op het politiebureau tegenover de werkelijkheid van de folterpraktijken. Duizenden vermoede politieke opposanten zijn de afgelopen drie jaar opgepakt, vastgehouden in onwettig verlengde eenzame opsluiting, gefolterd en na oneerlijke processen gevangen gezet, aldus Amnesty.

Die duizenden opposanten komen zowel uit de ultralinkse als de moslim-fundamentalistische beweging. Beide waren vroeger weliswaar niet formeel erkend, maar werden getolereerd en konden functioneren. Bekende fundamentalisten konden als onafhankelijke kandidaten aan verkiezingen deelnemen - en haalden in 1989 in sommige districten wel 30 procent van de stemmen. Maar naarmate het Front van Islamitische Redding (FIS) in Algerije in kracht groeide en de Tunesische fundamentalisten van de Annahda meer van zich deden horen, groeide de repressie.

Het platbranden van een hoofdkwartier van de RCD door naar wordt aangenomen aanhangers van Annahda, waarbij een bewaker op gruwelijke wijze om het leven werd gebracht, vormde daarbij in 1991 een soort waterscheiding. Talloze activisten werden opgepakt en voor lange tijd achter de tralies gezet. De leiding van Annahda, voorzover niet gevangen, ging in het buitenland in ballingschap. De partij werd verboden, ondergronds gedwongen en feitelijk onthoofd. De Communistische Arbeiderspartij wordt op identieke wijze vervolgd.

Ook de pers is getemd. Sinds 1991 is het bijna onmogelijk geworden een artikel te vinden waarin ook maar de geringste kritiek doorklinkt, zo schrijft Amnesty in zijn in januari uitgekomen rapport. De buitenlandse pers moet het eveneens vaak ontgelden, op beschuldiging van tendentieuze berichtgeving, met name waar het de fundamentalisten en de mensenrechten betreft. Recentelijk is de Noord-Afrika-correspondent van de Britse BBC het land uitgezet en het Koeweitse persbureau korte tijd gesloten. Edities van de Franse krant Le Monde zijn herhaaldelijk uit de Tunesische kiosken geweerd, zoals ook nu weer het geval is.

De regering heeft voorts organisaties die vroeger een eigen mening hadden, als die van de advocaten en de artsen en de Liga voor de rechten van de Mens, onder haar controle gebracht. Het vakverbond UGTT, waarmee de vroegere president Bourguiba het voortdurend aan de stok had, getuigde van haar gelijkschakeling met de mededeling van enkele dagen geleden dat “een stem voor president Zine Abidine Ben Ali een stem voor de voortzetting en consolidatie van het democratisch experiment is”. “Laten wij allen op 20 maart 1994 op tijd zijn om te stemmen voor president Zine Abidine Ben Ali voor de zaak van een onafhankelijk, democratisch Tunesië, waar sociale rechtvaardigheid en nationale solidariteit de overhand hebben en waarboven de vlag van de vrijheid wappert!”

Onder deze omstandigheden konden de verkiezingen van gisteren geen uitsluitsel geven over de politieke ideeën van de bevolking: die kon in feite alleen stemmen door niet te gaan stemmen. Hoe goed - of slecht - de moslim-fundamentalisten - probleem nummer één van Noord-Afrika - het nu doen, is dus niet duidelijk.

Het is een feit dat de situatie in Tunesië absoluut niet te vergelijken is met die in het veel grotere, economisch altijd veel slechter geleide en met identiteitsproblemen worstelende Algerije. Gezondheidszorg en onderwijs in Tunesië zijn traditioneel stukken beter dan die in Algerije. Bovendien staat het onderwijs in Algerije al jaren het moslim-fundamentalisme ten dienst; in Tunesië is het tegendeel het geval.

Maar toch: als het fundamentalisme in Algerije aan de macht komt, zal dat hoe dan ook zijn weerslag hebben op de Tunesische constellatie. Dan zit Ben Ali er heel eenzaam, gemangeld tussen Gaddafi en de islam.

    • Carolien Roelants