'Soberheid past bij kind van Kuyper'; Vraaggesprek met E. HEERMA

Hij moet het sociale gezicht van het CDA kleur geven: Enneüs Heerma, nummer vijf op de verkiezingslijst en door velen beschouwd als kandidaat-minister voor een volgend kabinet. De staatssecretaris van volkshuisvesting heeft op dit moment zijn handen vol aan het huisvesten van asielzoekers. Intussen moet de PvdA niet doen alsof zij het monopolie op een sociaal beleid heeft, vindt hij. 'Apekool!'

Erfopvolger van Bert de Vries wil hij zichzelf niet noemen, maar Enneüs Heerma, staatssecretaris van volkshuisvesting, geeft wel toe veel gemeen te hebben met de minister van sociale zaken. Beiden zijn gereformeerd en weten de dronk uit het kleine glaasje te waarderen. Alle twee waren ze actief in de Anti-Revolutionaire Partij en hebben ze hun wortels in het hoge noorden: Heerma in Friesland, De Vries in Groningen. Het zijn omstandigheden die nogal eens leiden tot een zekere soberheid, een vorm van onverzettelijkheid.

Heerma: “Bert de Vries heeft een bepaalde stijl van uitdrukken. Die heb ik ook. Dat is soms verbonden met een zekere politieke opvoeding, een soort staatkundige opvattingen. Maar die kun je niet altijd met politieke positionering gelijkstellen. Het gaat meer om een bepaalde cultuur. Je moest bijvoorbeeld uitkijken als een anti-revolutionair zei: 'In beginsel ben ik het met je eens'. Dan moest de gesprekspartner zeer waakzaam zijn. Dat kon wel eens 'nee' betekenen.”

Met de hoge plaats van de 49-jarige Heerma op de lijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen (nummer 5) heeft het CDA de 'sociale traditie' in de partij na het komende vertrek van De Vries willen veiligstellen. Heerma zet zich scherp af tegen sociale ongelijkheid. “Ik ben trots op de traditie in de volkshuisvesting waarbij we altijd een mix hebben gekend van koopwoningen en sociale woningbouw. We hebben in de steden weinig 'goudkusten' en weinig 'langejammers', om met Bartje te spreken. Dat moeten we zo houden.”

Net als andere hooggeplaatste, 'herkenbare' christen-democratische politici als Wim Deetman (plaats 4) zal de rol van Heerma in de verkiezingscampagne groter worden als de kritiek op andere, gladder ogende kandidaten als Brinkman en De Hoop Scheffer, toeneemt. De Vries en Heerma maakten met hun kritiek, eind vorig jaar in Vrij Nederland, op de vermeende voorliefde voor glamour van lijsttrekker Brinkman, duidelijk dat niet het hele CDA is bevangen door de glitterkoorts. Heerma zal zeker worden ingezet als een van de kandidaten die de traditioneler denkende christelijke achterban ervan moet weerhouden weg te lopen.

Hoewel de uitlating in het vraaggesprek een heuse kwestie werd, beschadigde ze Heerma's positie niet. Premier Lubbers noemde de staatssecretaris tijdens het verkiezingscongres uitdrukkelijk als een van degenen in het 'team' die Brinkman moeten bijstaan in de campagne. “Ik heb geen spijt van het interview”, zegt Heerma, “wel van de effecten. Het was vervelend dat er een werkelijkheid werd geschapen die niet tot het gesprek te was herleiden. Krantekoppen worden de werkelijkheid en dat is vervelend.”

In het Haagse praat- en speculeercircuit valt Heerma's naam veelvuldig in verband met toekomstige ministersposten in het volgende kabinet. Is het niet van VROM, dan wel van Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat of Sociale Zaken. Zelf wil hij daarover niet speculeren omdat hij de onvoorspelbare wendingen van de 'carrousel' van de kabinetsformatie kent: “Ik ga graag door in het kabinet. Maar ik vind dat ik ook de consequentie moet trekken uit het feit dat ik op de verkiezingslijst sta.” Dat hij staatssecretaris op Volkshuisvesting blijft, is vrijwel uitgesloten. En dat hij fractieleider wordt, ligt evenmin voor de hand. Hij vindt het logisch dat een katholiek dat ambt gaat bekleden, mocht Brinkman premier worden.

Acht jaar staatssecretaris is hij nu. Op enkele maanden bij Economische Zaken na, vervulde Heerma die functie permanent op Volkshuisvesting. Dat hij niets van dit terrein wist, beschouwt de voormalige Amsterdamse wethouder als een groot voordeel. Tijdens zijn regime voltrok zich in de volkshuisvesting een aantal wijzigingen die wel met 'een stille revolutie' zijn aangeduid. Heerma rekende rigoreus af met de verregaande bemoeienis van de rijksoverheid met de volkshuisvesting: taken en verantwoordelijkheden werden overgeheveld naar gemeenten en woningcorporaties. Met dit laatste wist hij als een der weinige CDA-politici de decentralisatie te gebruiken om het voor het CDA zo belangrijke middenveld te versterken. “Ik waardeer dat compliment”, zegt hij, “al past het bij de kinderen van Kuyper om daarmee sober om te gaan. Ik denk dat Dieuwke de Graaff op Binnenlandse Zaken vergelijkbare forse stappen heeft gezet, net als Bert de Vries bij de Arbeidsvoorziening.”

Het respect dat Heerma hiermee en met zijn trouwhartig uitvoeren van opgelegde bezuinigingen opbouwde, konden niet verhinderen dat zijn opvattingen regelmatig onder vuur liggen in eigen kring. Zo moest de staatssecretaris zich in zijn partij regelmatig verweren tegen de jacht van de financieel specialisten in en buiten de fractie op subsidiewezen. Ternauwernood kon hij enkele weken geleden voorkomen dat in een ondoorzichtig samenspel tussen Centraal Planbureau (CPB) en specialisten als prof. A. Kolnaar de individuele huursubsidie het loodje legde. Bij doorrekening van de 900 miljoen aan bezuinigingen op de volkshuisvesting waarvan in het CDA-programma sprake is, boekte het CPB 400 miljoen voor de huursubsidie in. Vooral bejaarden met een smalle beurs die ook werden getroffen door een ander CDA-voorstel - over de AOW - zouden het slachtoffer worden.

Haastig liet Heerma namens het CDA op een partijbijeenkomst in Dordrecht weten dat van drastische bezuinigingen op de huursubsidie geen sprake kon zijn. Het verkiezingsprogramma sprak immers van een “vangnet voor lagere inkomens”. Onenigheid in de partij is er volgens hem niet, te ver doorgevoerde rekenarij van het CPB des te meer. Politieke partijen doen te weinig om hun onderlinge verschillen aan te geven, en laten dat te veel over aan de kille cijfers. “De partijen zijn kennelijk allemaal zo naar het midden geschoven dat ze het CPB nodig hebben om het onderscheid zichtbaar te maken. Ik denk dat het electoraat daar nee tegen heeft gezegd.”

Het voorval met de huursubsidie bood, na eerdere herrie in het CDA over het minimumloon en de AOW, coalitiepartner PvdA een prachtige gelegenheid het eigen sociale gezicht te parfumeren. Heerma laat ongevraagd weten zich zeer geërgerd te hebben aan de reacties van PvdA. Zondigend tegen een van de belangrijkste politieke leefregels van het CDA - niet polariseren tegenover andere partijen - begint hij aarzelend: “Wat ik wel wil zeggen is, ... dat de sociale dimensie niet gemonopoliseerd moet worden door de PvdA. Als Rottenberg (PvdA-partijvoorzitter, red.) zegt: de stadsvernieuwing en de huursubsidie zijn overeind gebleven door de PvdA in de regering, dan zeg ik: apekool! Ik heb niet op de stadsvernieuwing bezuinigd de afgelopen jaren. Ik heb niet de huursubsidie afgeschaft. Deze staatssecretaris heeft voorgesteld de lastenverlichting te gebruiken om de laagste inkomens bij de huurverhogingen te ontzien.”

Deze laatste suggestie had de al eerder PvdA gedaan.Maar Heerma wil zijn punt scoren. Ook 'collega Wallage', die de vermeende huursubsidieplannen van het CDA hekelde, krijgt ervan langs. “Als ik die over de coalitie hoor, lijkt het net alsof het de PvdA is die voor het sociale gezicht in het regeringsbeleid heeft gezorgd. Dat is een vorm van monopoliseren die de werkelijkheid geweld aan doet. Maar de voorbeelden van stadsvernieuwing en huursubsidie steken mij het meest. Verder heb ik geen behoefte om campagne te voeren door me aan de schouders van een andere politieke partij op te trekken.

Toch blijft de vraag of de sociale vleugel van het CDA in de toekomst wel zijn rol van schildwachter voor de zwakkeren kan blijven spelen. Dat principe is verdrongen door het geloof in de decentralisatie, mede door Heerma met groot enthousiasme uitgedragen. Daarmee draagt de nationale overheid haar 'schild' steeds meer over aan gemeentes en maatschappelijke organisaties zoals de woningbouwcorporaties.

Het vraagstuk is acuut bij de minderhedenkwestie. De opkomst van extreem rechts in de oude wijken veroorzaakte eerder een felle discussie over de wenselijkheid van een gemeentelijk spreidingsbeleid. Heerma sprak zich tegen zo'n beleid uit. Het recente succes van extreem rechts bij de verkiezingen heeft hem niet van dit standpunt afgebracht. Maar waar bemoeit de staatssecretaris die toch zo voor decentralisatie is zich eigenlijk nog mee?

Heerma: “Volgens de wet bestaat er vrijheid van vestiging. Het is mijn taak, waar nodig, de gemeentes daarop te wijzen.” Is dat niet dirigistisch? Heerma: “Helemaal niet, men moet zich in Nederland gewoon aan de wet houden.” Maar als een gemeente met een gedwongen spreidingsbeleid etnische spanningen in een buurt wil voorkomen? Heerma: “Het mag gewoon niet.” Maar het gebeurt wel. Heerma: “Enige tijd geleden heb ik gemeenten als Lelystad, Spijkenisse en Haarlem bij me laten komen en tegen ze gezegd: wat bij jullie gebeurt, kan helemaal niet. Dat heeft effect gehad. Ik geloof niet in paternalisme, niet van de rijksoverheid, maar ook niet van de gemeenten. Ook die moeten de woonconsument serieus nemen.”

Het asielbeleid stelt echter eveneens het geloof in de decentralisatie op de proef. Minister d'Ancona (WVC) beklaagde zich enkele maanden geleden over het feit dat ze geen sancties tegen gemeenten kon treffen die weigerachtig waren bij het opnemen van asielzoekers. Maar Heerma waarschuwt opnieuw tegen - in dit geval - maternalisme.

“We moeten voorzichtig zijn het asielzoekersvraagstuk tot maatlat voor het al dan niet slagen van decentralisatie te maken. Hier treedt een soort wet van traagheid op. Het openbaar bestuur moet reageren op een nieuw verschijnsel met deze omvang. Bij het vallen van de Berlijnse Muur waren er nog tien- à vijftienduizend per jaar, en nu hebben we het over duizend per week. Ik heb vorige week gezegd dat we mischien naar een verdubbeling gaan, van 35.000 naar 70.000. Dat zeg ik niet om paniek te zaaien, maar wel om aan te geven dat het dan om een veel breder vraagstuk gaat dan alleen een volkshuisvestingsprobleem. Dat heeft ook consequenties voor de politie, het onderwijs.” Hij gaat nog een stap verder: als de stroom asielzoekers in dit tempo doorgaat, moet de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening, waarin het kabinet voor de komende decennia de planologische lijnen dacht te hebben getrokken, worden herschreven; “kortom er is bezinning op de instroom van asielzoekers nodig”.

Wordt die zorg over het groeiende woningtekort niet groter als gemeenten weigeren asielzoekers of andere minderheden te huisvesten? Heerma: “Dan krijgen ze van mij een nette brief dat dat toch moet. Ze hebben de middelen. Er zijn werkloze bouwvakkers. De lage rentestand geeft nog eens extra financiële ruimte. We krijgen er bovendien een instrument bij. Na overleg met de VNG heeft het kabinet vrijdag met de aanpassing van de Huisvestingswet ingestemd. Dat betekent dat we straks niet meer aan de gemeente vragen: willen jullie een huis leveren? Nee, er wordt gezegd: u moet zoveel mensen huisvesten die van de Staat der Nederlanden op grond van internationaal recht een status hebben gekregen om hier te verblijven. Dat is geen centralisme, maar het scheppen van nieuwe instrumenten voor nieuwe verschijnselen.”