Rugby tussen onderdrukte en bezetter

LONDEN, 21 MAART. Zonder zijn vrouw om toestemming te vragen verkocht Steve Spiller de dakpannen van zijn huis. De werkloze rugbyfan uit de Rhondda-vallei in Wales had geld nodig voor een kaartje. Hij moest zaterdag naar Twickenham in Londen voor Engeland-Wales. De honderdste ontmoeting van de kleine en de grote broer. De beslissende wedstrijd van het vijf-landentoernooi. Wales had Schotland, Ierland en Frankrijk verslagen. Wales kon het toernooi, de grand slam (vier overwinningen) en de triple crown (waarvoor Frankrijk niet meetelt) winnen. Als hij zuinig zou leven, zei Spider, zou hij over een paar maanden een nieuw dak kunnen kopen.

Wales heeft weinig meer dan rugby. Grootvader werkte in de mijnen, vader is werkloos, zoonlief speelt rugby. Maar Wales had de laatste jaren niet veel gewonnen en zelfs - een schande, een nationale ramp - verloren van landen als Roemenië en Canada. “Er is geen toekomst in Wales, en er is geen heden, alleen het verleden”, citeerde rugby-correspondent Gerald Davies de dichter R.S. Thomas in The Times.

Davies behoorde tot het glorieuze wonderteam van Wales dat in de jaren zeventig bijna alles won. Dat waren de tijden dat de spelers de hemel in werden geprezen. “Kijk daar loopt Barry John.” Nou en, hij is god niet, reageert een Engelsman. “Nee, maar hij is nog jong.” En later: wie speelt er met rugnummer tien? “Dat is god, maar hij denkt zelf dat hij Barry John is.”

In de trein van Londen-centrum naar Twickenham stootten de fans elkaar zaterdagochtend even aan, voor ze zich weer in hun krant verdiepen. Daar zat Davies. “Engeland tegen Wales is altijd de wedstrijd van het jaar”, legde Davies desgevraagd uit. Het is Nederland - België (voetbal) in het kwadraat.

Rugby was het spel voor barbaren gespeeld door gentlemen; voetbal een spel voor gentlemen, gespeeld door barbaren. In Engeland is rugby nog altijd voor de upper-middle en de middle-class. Eenderde van de Engelse internationals heeft in Oxford of Cambridge gestudeerd. Het zijn advocaten en officieren. Voor de Engelsen behoort de finale van het vijf-landentoernooi tot de categorie Boat Race, Ascot en Wimbledon.

In Wales werd rugby een volkssport. De spelers zijn boer, brandweerman of pr-medewerker van de sponsor. Wales tegen the old enemy is arm tegen rijk, de onderdrukte tegen de bezetter. Of, zoals de aanvoerder van Wales het voor een wedstrijd in 1977 aan zijn mannen vertelde: “Bedenk wat die klootzakken ons aangedaan hebben. Ze hebben onze kolen, ons water, ons staal gejat. Ze hebben onze huizen opgekocht om er in de vakantie twee weken te kunnen wonen. Ze hebben ons uitgebuit en verkracht. Dat zijn degenen waar we vandaag tegen spelen.”

Pag.13: Een kroeg vol gelijkgestemden

In hun rode shirts verzamelden de fans uit Wales zich zaterdag drie uur voor de rugbywedstrijd in de pubs van Twickenham, een buitenwijk in de buurt van vliegveld Heathrow. De mannen zonder kaartje - op de zwarte markt 2.000 gulden voor de betere plaatsen - wilden in de buurt zijn. Met een pint in een kroeg vol gelijkgestemden.

Op de twee parkeerterreinen bij het stadion haalden intussen de Engelse toeschouwers het klaptafeltje uit hun Volvo of Jaguar. Staande naast hun auto picknickten ze met witte wijn en zalm, met blikken bier en broodjes tonijn. De zon scheen, de rits van de wax-coat kon omlaag, de public-school-stropdas kwam tevoorschijn.

Omdat de koningin er was, stroomde het stadion vroeg vol. Bijna zeventigduizend toeschouwers klapten toen hare majesteit over een rode loper het veld overstak om een nieuwe tribune te openen. Het meisje dat aan het begin van de tweede helft het veld op rende, verscheen met haar blote borsten live op miljoenen televisies.

Het was de wedstrijd tussen de goeden en de slechten. Wales speelde dit seizoen zoals het hoort. Met veel rennen, veel passen en met try's. De voorwaartsen, de zware jongens, wisten zich op te laden en de bal te veroveren. De drie-kwarters, de snelle, balvaardige jongens scoorden de try's, de pyschologische dreunen waar het spelletje om draait. Een bal over achterlijn van de tegenstander levert vijf punten op.

Engeland speelde, tot gisteren, een saai en voorspelbaar spelletje. Met voorwaartsen die met hun spierkracht vooral strafschoppen probeerden af te dwingen. Die werden dan door de foutloos spelende Rob Andrew tussen de palen geschopt. Telkens drie punten, meestal voldoende om te winnen. Het efficiënte, risicoloze spel van de England XV leidde de afgelopen weken tot een nationaal debat. 'De schoonheid van het spel wordt opgeofferd aan de beastly business of winning', mopperden de romantici. 'Niet zeuren, we winnen', stelden de realisten. Beide stromingen vonden elkaar zaterdagmiddag.

Doordat het gespannen Wales zaterdag onnodig veel fouten maakte en telkens in het losse werk de bal verspeelde, bleek ook Engeland in staat open, snel rugby te spelen. Na elf minuten explodeerde het stadion voor de eerste maal. Luchtmachtofficier Rory Underwood maakte een einde aan een droogte van één jaar en twee weken zonder try, aan 438 minuten rugby sinds zijn broer Tony vorig jaar scoorde tegen Schotland. In de tweede helft kon ook legerofficier Tim Rodber nog eenmaal triomfantelijk duiken.

Engeland dreigde Wales zelfs omver te blazen. De grand-slam en de triple crown had Wales al verspeeld. Bij 15-3 leek Wales rijp voor een nederlaag met meer dan zestien punten verschil, waardoor het op doelgemiddelde ook het kampioenschap aan Engeland zou verspelen. Die teleurstelling bleef de spelers bespaard. Met een try voor Wales redde Nigel Walker de titel. Een 15-8 nederlaag. Voor het eerst sinds 1979 won Wales het vijf-landentoernooi. De koningin overhandigde de beker, de spelers persten er een glimlach uit.

De Engelse toeschouwers keerden voldaan terug naar het parkeerterrein voor de borrelhappen. De fans uit Wales bestelden nog een pint in plastic bij een van de stalletjes. Op weg naar de bushalte werd een vijftal door een politieman tegengehouden om de weg vrij te maken bij de uitrit van de parkeerplaats. Een witte Rolls-Royce draaide de weg op. Het groepje fans verhief zijn stem, maar kwam niet verder dan wat beschonken gemompel. “We are the champions.”

    • Remmelt Otten