Poëtisch-theatrale herdenkingsavond in de geest van Johnny van Doorn

Johnny van Doorn: Verzamelde gedichten. Met een nawoord van A.F.Th. van der Heijden. Uitg. De Bezige Bij, 297 blz. Prijs ƒ 45,-.

AMSTERDAM, 21 MAART. Het onmogelijke is de performing poet, dichter en schrijver Johnny van Doorn (1944-1991) gelukt: iets meer dan drie jaar na zijn te vroege dood wist hij als door eigen regie van bovenaf gisteravond een klein boekenbal in de Kleine Komedie in Amsterdam te organiseren bij gelegenheid van de verschijning van zijn Verzamelde gedichten.

Johnny van Doorn, dat was theater en poëzie. Gaandeweg zijn literaire carrière minder theater en meer poëzie, en tot slot ook prachtig fijngesneden proza, maar het luisterrijke en theatrale bleef hem aldoor omringen. Daarin schitterde en glorieerde hij.

De herdenkingsavond in de Kleine Komedie wilde dan ook vooral theater zijn. Maar dan pas nadat eerst schrijver A.F.Th. van der Heijden een exemplaar van de Verzamelde gedichten aan Yvonne van Doorn had uitgereikt, waarna hij met een mooi verhaal het fundament voor de avond legde. Van der Heijden vervlocht persoonlijke herinneringen aan Van Doorn met diens poëtica. Misschien klinkt het woord 'poëtica' iets te hooggestemd voor Johnny van Doorn. Toch klopt het: de driehonderd bladzijden poëzie geven, ondanks Van Doorns woeste schrijftrant, het hallucinerende ervan, de selfkickende kracht, het beeld van een dichter die wel degelijk aan een coherent oeuvre werkte en wilde werken.

Al was Johnny van Doorn niet lijfelijk aanwezig in de Kleine Komedie, aan zijn warme, barokke stem viel niet te ontkomen. Maarten Spanjer wist die weergaloos te vertolken in een telefoongesprek met Bart Chabot vanuit het hemelrijk. De dichters Neeltje Maria Min en Hans Verhagen kozen een andere stijl: ernstig, mond dichtbij de microfoon lazen zij hun gedichten voor alsof er geen publiek in de zaal was. Verhagens op paradoxen gebouwde gedicht De autoriteit van de emotie paste wonderwel bij deze avond: 'ik wil leven / maar leef liever niet'.

Ook Johnny van Doorn wilde leven èn schrijven, schrijven èn leven. Dat lijkt iets onbestaanbaars. Reden waarschijnlijk dat hij in zijn werk het maximum aan rauw leven onderbracht, sterker, zijn werk is het leven zelf. De structuur die hij aan zijn gedichten geeft, zullen het zeker boven de tijd doen uitreiken.

Simon Vinkenoog daarentegen blijft in het esoterische van zo'n dertig jaar terug steken. Met zijn optreden herleefde de tijd van Amsterdam als magisch love centre. Hoe ver dit alles weg is, bleek uit een ironische voordracht van Remco Campert uit Tjeempie, of Liesje in Luiletterland met het refrein: 'Fijn dat je gekomen bent.'

Zanger Wally Tax deed vroeger herleven met Lying All The Time. De aanhangers van toen juichten. Toch zou het een geheel verkeerd beeld van de avond en van Van Doorns werk geven als we het slechts zouden verankeren in de jaren zestig en zeventig. Goed, er dreef weleens een wolkje uit een stickie boven de hoofden van de toeschouwers, maar de aanwezigheid van velen die na de jaren zestig geboren zijn logenstraft Van Doorns vermeende tijdgebondenheid.

Allereerst deed het Koninklijke Zigeunerorkest De Mirando's onder strenge bewaking van Armando lyrische wonderen. Heftig applaus klonk op, en Simon Vinkenoog kon de verleiding niet weerstaan dansend met zijn vrouw op het podium te verschijnen. Alles in de geest van Johnny, moeten we maar denken. Armando volgde ontstemd Vinkenoogs zwiepende passen.

Zo ontstond er toch iets van rumoer, bij lange na geen tumult. Wie Johnny van Doorn zegt, rept in één adem van al zijn buitenproportionele pseudoniemen als The Electric Goebbels, Electric Jesus etc. etc. Zijn creaturen op het podium veroorzaakten eertijds op bijzonder onpoëtische wijze wel tumult. Nu zal het tij toch moeten keren. Lees daarom het laatste vers uit de Verzamelde gedichten en wees er dan van overtuigd dat melancholie en de pijn om wat voorbij is de geheime drijfveren waren van die theatrale acts. Belvédère heet het gedicht, en het gaat over de stad van Van Doorns jeugd, Arnhem. Staand op de hoge toren overweegt de dichter: 'waar ik als een zweefvlieger / die eventjes roerloos tussen / de wolken hangt / het panorama van mijn jeugd aanschouw / of er een onzichtbaar scherm / tussen mij en de wereld staat. / Zou het waar zijn?'

Dat 'onzichtbare scherm' tussen de dichter en de wereld maakt van de dichter een vreemdeling in die wereld. De vraag 'zou het waar zijn?' verraadt wanhoop en tegelijk lotsbesef. Daaraan heeft Johnny van Doorn dichtend, schrijvend en al optredend willen ontkomen. Nu zowel zijn proza als poëzie verschenen zijn, zal de de man van de Selfkicker-act naar de achtergrond verdwijnen en zal zijn werk gelezen gaan worden. Terecht. De poëzie heeft het gewonnen van het theater.

    • Kester Freriks