Maître François

Ik was toen op zoek naar een azijnmoeder. Dat is iets levends dat op een roodbruine kwal lijkt. Je voedt haar met restjes wijn, waar zij de authentieke wijnazijn van maakt.

Toen ik hem zag in de dorpsgarage waar hij op zijn Renaultviertje stond te wachten, dacht ik dat hij me misschien kon helpen. Een oude boer met een zonnig gezicht. Ja, hij had er een in zijn kelder. Van zijn moeder geërfd, die haar weer van zijn grootmoeder kreeg. In een ton, zeker honderd jaar oud.

Hij beloofde er een half pondje voor me af te knippen.

Via de wijnmoeder leerde ik de man kennen die ik 'Maître François' ging noemen. Het bewonderende 'Maître' dat ik ook gebruikte toen ik Picasso, Dali, Jacques Prévert, Jean Cocteau mocht ontmoeten.

François had van zijn leven een kunstwerk gemaakt. Hij woonde in zijn eentje in een vervallen boerderij eenzaam op een berg in het achterland van de Côte d'Azur. Leefde van de groente in zijn tuin, dronk de wijn van zijn eigen druiven. Als het daarboven koud werd trok hij een extra trui aan, in de lente trok hij hem weer uit.

Met de kruiden uit de bergen stookte hij heerlijke likeuren, waar we samen lang en veel van dronken.

Zijn vrouw was al lang geleden weggelopen. Hij noemde haar 'le poison de ma vie'. Dat vergif van zijn leven woonde nu in Nice bij zijn volwassen dochters, die hem een eigenwijze zonderling vonden.

Een altijd opgewekte man, die blij was met een zonnige dag, of met wat regen als zijn tuin te droog werd, met een sterk geurende roos, een geslaagde vissoep. Toen ik hem al een paar jaar kende, kreeg hij van een zijn dochters een door haar afgedankte koelkast. Daar zat hij mee. In de koele kelder onder zijn boerderij kon hij alles goed bewaren. Weigeren was onaardig. Dus zette hij er, om haar een plezier te doen, maar een paar blikjes sardientjes in. Maar wanneer hij 's avonds naar de tv ging kijken moest de koelkast uit. Want je moet zuinig zijn met elektriciteit.

Ik maakte een tv-film over hem, waarop hij een aantal brieven van vrouwen uit Holland kreeg die met hem wilden trouwen. Daar moest hij, wat verbaasd, om lachen. De eenzaamheid drukte hem niet. Hij had genoeg aan zijn eigen gezelschap. Wat hij vertelde, dacht, was heel eenvoudig. Hij leerde me hoe te vergezocht gecompliceerde theorieën vaak zijn.

Op een keer zag ik hem voor het eerst eindeloos triest kijken. Die nacht was hij met een stekende pijn in zijn borst wakker geworden. Niemand kon hem nu helpen. Als hij stierf zou men hem misschien pas over een week vinden. Hij kreeg het koud en werd doodsbang. En nu durfde hij daarboven eigenlijk niet meer alleen te blijven.

Zijn kinderen verkochten zijn boerderij en zijn autootje, gaven de helft aan le poison de ma vie en voor de rest kochten ze een plaatsje in een bejaardenhuis in de bergen achter Nice.

Daar ging ik hem opzoeken. Met een schriftelijke toestemming mocht ik hem meenemen naar een restaurant. Hij at nauwelijks. Zei alleen dat hij terugwilde naar zijn boerderij. Dat die verkocht was wist hij kennelijk niet.

De volgende keer bleek hij totaal opgeveerd te zijn. Hij stelde me voor aan een oud dametje, waar hij heel teder mee omging. Het vriendinnetje van heel vroeger van wie het hem altijd had gespeten dat hij haar niet had getrouwd. Hij had Henriette nu in het tehuis teruggevonden. Ze kon bijna niet meer lopen maar ze kon nu op hem steunen. Ze leefden voor elkaar en ze zweefden ongrijpbaar hoog boven het uitzichtloze bejaardenhuis.

Van zijn kinderen mocht het niet. Het was hen immers om zijn spaarcentjes te doen. Daarna wilden hij zijn dochters niet meer zien. Ze lieten hem onder curatele stellen om te voorkomen dat Henriette het erfenisje zou opsnoepen. Hij schreef gedichten die hij haar als een verliefde schooljongen voorlas. Ze bloosde van geluk.

Toen stierf ze. Maître François bleef zo alleen achter dat hij zichzelf niet meer gezelschap kon houden. Zijn geest verdween, zijn logge lichaam bleef leeg achter. Hij herkende me niet meer. Noemde me monsieur.

In zijn kamer het fotootje van een oud dametje.

    • Jan Brusse