Hollandse helden bij het houtvuur mooi getypeerd

Voorstelling: Dik, Abe, Johnny en Hansje door theatergroep Hollandia. Tekst en regie: Don Duyns; spel: Marcel Musters, Joep Onderdelinden, Dennis Rudge, Dick van den Toorn. Gezien: 17/3 Kerkje Ruigoord. Nog te zien aldaar t/m 26/3. Reserveren: 075-310231.

De drie voorstellingen die theatergroep Hollandia deze weken onder de naam Noodpunt-Zuidpunt presenteert, hebben met elkaar gemeen dat ze worden geregisseerd door jonge theatermakers. Een ander punt van overeenkomst is dat deze voor de gelegenheid geschreven stukken volgens het persbericht 'hun oorsprong vinden in de recente geschiedenis van de streek waarin ze worden gespeeld.'

Zo fungeerde een munitiedepot op Wieringen als decor voor De Prins van Wiereland, de eerste - reeds opgevoerde - voorstelling van de reeks. Dit stuk van Tom Blokdijk ging over de Duitse kroonprins Wilhelm die na de Eerste Wereldoorlog vijf jaar lang op dit voormalige eiland was geïnterneerd.

Als locatie voor Dik, Abe, Johnny en Hansje, de tweede voorstelling die nu in première is gegaan, is gekozen voor het kerkje in het aan Amsterdam grenzende dorp Ruigoord. De locatie staat in dit geval model voor de omgeving waar de wortels liggen van de vier Hollandse helden die in dit stuk worden herdacht: Dik Trom, Abe Lenstra, Johnny Jordaan en Hansje Brinker.

Broederlijk zitten ze op een rij naast het knetterende haardvuur. De dikke Trom (Dick van den Toorn) heeft zich op de bok gehesen en stelt zich als eerste voor aan het publiek. Hij is het bijzondere kind met de blozende wangen en het gouden hart dat hier, temidden van deze landerijen, is grootgeworden met boerekool en balkenbrei. Hij ontpopt zich als een gezellige prater die herinneringen ophaalt aan Nelly en Bruin Boon, de ezel en de geit en aan allen die nu dood zijn en hem eenzaam en alleen hebben achtergelaten.

Ook Abe Lenstra (Joep Onderdelinden), de gekuifde voetballer uit Friesland die sinds een hersenbloeding zijn leven in een rolstoel slijt, Johnny Jordaan (Marcel Musters), de zanger van het Amsterdamse levenslied, en Hans Brinker (Dennis Rudge), de jongen die zijn vinger in de dijk stak, laten in hun verhalen doorschemeren dat ze zich oud en vergeten voelen.

Die klacht lijkt mij niet gegrond. Want ofschoon wij inderdaad geen grote traditie hebben in het eren van bijzondere individuen, zijn de figuren die tekstschrijver en regisseur Don Duyns hier op een voetstuk zet juist allerminst verguisd en vergeten. Abe Lenstra is geëerd met een naar hem vernoemd voetbalstadion, Dik Trom en Johnny Jordaan hebben een standbeeld en het zou me niet verbazen als er ook van Hans Brinker een gedenkteken bestaat.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat het geen kwaad kan als hun legendes nog eens voor het voetlicht worden gebracht - tenminste, als het gebeurt op een manier die ons kan boeien. Dat laatste is maar ten dele het geval.

Wat ontbreekt is spanning. Er vallen veel onnodig lange stiltes en de vier monologen die we te horen krijgen worden keurig één voor één afgedraaid. Zo'n vorm is saai. Vooral als de acteurs die niet aan het woord zijn, soms de indruk wekken dat ze niet luisteren naar de ander en slechts zitten te wachten tot het hun beurt is. Dat is jammer, want de figuren komen onbedoeld vaak komisch uit de hoek (Johnny Jordaan: “Wat ik heb meegemaakt in mijn carrière dat gebeurt één keer in de driehonderd jaar, zo'n uitschieter. Dat hebben ze wel eens voor me uitgerekend.”).

Het is ook jammer omdat je daardoor bijna over het hoofd zou zien dat de vier helden schitterend getypeerd worden, niet alleen in de tekst maar ook door het spel. Vooral Joep Onderdelinden wil ik hier noemen: zijn vreemde accent, zijn lijzige maar onverstoorbare manier van praten en zijn eendimensionale kijk op de dingen (“voetbal is m'n leven en m'n leven is een voetbal”) maken van Abe Lenstra een kostelijke verschijning.

    • Noor Hellmann