Er staat te weinig muziek op de plaat

Vanmiddag werden in het Amsterdamse Concertgebouw de klassieke Edisons uitgereikt. Vooraf werd de traditionele Edison-lezing - hier enigszins bekort weergegeven - gehouden door Marius Flothuis, voormalig artistiek directeur van het Concertgebouworkest en emeritus-professor in de musicologie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht.

“De grammofoon is honderd jaar te laat uitgevonden” - dat zei ik enkele jaren geleden in een interview. Ware de geluidsopname en -weergave niet in 1877 maar in 1777 uitgevonden, dan hadden we - theoretisch althans - de mogelijkheid gehad, te horen waarover Joseph Haydn en Wolfgang Mozart op 15 januari 1785 hebben gepraat, toen Mozarts nieuwste strijkkwartetten voor het eerst werden doorgespeeld; we hadden ons dan ook een beeld kunnen vormen van het ware verloop van een Schubertiade; en we hadden misschien van de discussies tussen Ernest Guiraud en Claude Debussy niet alleen het stenografische verslag van Maurice Emmanuel gehad, maar ons ook een idee kunnen vormen van de intonatie waarmee Debussy zijn ideeën en Guiraud zijn radeloosheid formuleerde.

De geluidsvastlegging is altijd een document - en wel een volstrekt uniek document, in weerwil van het feit dat het technisch mogelijk is, het duizenden malen te herhalen. Dat geldt zowel voor opnamen van symfonieën, concerten, opera's als voor vastleggingen van repetities, redevoeringen, interviews en wat dies meer zij. De vraag is nu: wordt van de mogelijkheid zulke unieke documenten te vervaardigen, ook het juiste gebruik gemaakt? Om die vraag te beantwoorden wil ik eerst nader ingaan op dat begrip uniciteit. Die is namelijk niet in alle gevallen van dezelfde aard. Ik zal u een paar voorbeelden geven.

In mijn bezit is een langspeelplaat, getiteld Kathleen Ferrier, the Singer and the Person, in 1979 door de BBC gepubliceerd. De opname bevat gesprekken met en getuigenissen van musici met wie Ferrier heeft samengewerkt, zoals Benjamin Britten, Bruno Walter, Gerald Moore en anderen. Ook is haar eigen stem te horen, voornamelijk zingend, eenmaal ook sprekend. De verbindende tekst wordt geproken door Peter Pears en het slot wordt gevormd door een uitvoering van vier aan Kathleen Ferrier opgedragen liederen op teksten van Santa Teresa de Avila van Lennox Berkeley.

Ik behoef u niet te zeggen, hoe uniek deze opname is. En ze is intussen ook nog een document van Peter Pears geworden, wiens woorden voortdurend getuigen van zijn genegenheid en bewondering voor de zangeres, zonder dat hij zich ook maar één ogenblik op de voorgrond dringt.

Dat het, juist in verband met de uniciteit van opnamen, geen wezenlijk verschil maakt of het om 'live' of studio-opnamen gaat, zal ieder duidelijk zijn.

Ook zonder de voorbeelden die ik zoëven heb genoemd zoudt u wel geweten hebben dat de uitvinding van de geluidsopname en -weergave ontelbare mogelijkheden biedt tot verwerving van een documentatie waarmee geen enkele andere kan wedijveren. De vraag is maar: wordt er van deze mogelijkheid een optimaal gebruik gemaakt? Het antwoord moet helaas luiden: neen. Van de Duitse president Richard von Weizsäcker verscheen enkele jaren geleden een LP waarop zijn redevoering ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de bevrijding (8 mei 1985) is vastgelegd. Ik behoef u niet te zeggen dat het aanhoren daarvan aanleiding geeft tot bewondering, eerbied en nadenken. Het is mij niet bekend of er soortgelijke opnamen ooit in Nederland zijn gemaakt. Toch zou een registratie van enige toespraken van oud-minister Dries van Agt wellicht enige hilarische momenten kunnen verschaffen.

Nu de gemiddelde leeftijd der mensen voortdurend stijgt, zijn er ook steeds meer mensen die beschikken over herinneringen aan een al vrij ver verleden. De Franse harpist Pierre Jamet, die nog niet lang geleden op bijna 100-jarige leeftijd is gestorven, heeft, toen hij al ver in de tachtig was, zijn levensherinneringen op cassette ingesproken, maar gepubliceerd is het resultaat, voorzover mij bekend, niet. Zijn verhaal wint aan betekenis, wanneer men bedenkt dat Jamet aan de wieg stond van een werk, dat wel tot de mooiste kamermuziekwerken van deze eeuw mag worden gerekend: de Sonate voor fluit, altviool en harp van Claude Debussy.

Van Debussy gesproken: de dirigent, die na het vertrek van André Messager naar Londen van 8 mei 1902 af de leiding van de voorstellingen van Pelléas et Mélisande op zich nam: Henri Busser, overleed eind 1973; hij was bijna 102 jaar oud. Dat wil dus zeggen dat een dertig jaar geleden er nog iemand (en wel een vakman!) in leven was, die de hele commotie rondom de belangrijkse opera-première van het begin van onze eeuw als oor- en ooggetuige had meegemaakt. Wat had een gesprek met deze man niet een document van onschatbare waarde kunnen opleveren!

Ook de door DGG ongeveer dertig jaar geleden gepubliceerde reeks 'Erzähltes Leben' bevat unieke documenten, zoals de gesproken autobiografie van Eugen Jochum, toen zestig jaar oud. Uniek, omdat op geen enkele andere manier een zo indringend beeld kan worden gegeven van Jochums houding ten opzichte van de muziek in het algemeen en ten opzichte van degenen van wie hij geleerd heeft en dank zij wie hij geworden is, die hij toen was, ik leg de nadruk op dat toen, omdat het mij niet onwaarschijnlijk voorkomt dat een dergelijke opname, bij zijn vijftigste of zeventigste verjaardag gemaakt, een heel ander beeld zou hebben opgeleverd.

Er zijn meer dergelijke unica. We hebben opnamen van orkestrepetities onder leiding van Bruno Walter, Pierre Monteux, Bernard Haitink. Er bestaat een cd van werken van Albert Roussel, die daarop optreedt als dirigent en als pianist, de pianopartijen van zes liederen vertolkend. En dan niet te vergeten de Welte-Mignon-rollen, die dank zij moderne technieken eerst op langspeelplaat, vervolgens op CD konden worden overgebracht, waardoor we ook vandaag nog kunnen vaststellen hoe elegant het klavierspel van Gabriel Fauré was, welk een formidabel pianist Gustav Mahler was en hoe miserabel Max Reger zijn eigen pianostukken speelde.

(-) Het gaat mij nu om het opgenomen repertoire. Wat een componist tevens musicoloog interesseert, is in de eerste plaats: wat is er beschikbaar. De vraag of de ene opname van de Tiende vioolsonate van Beethoven, opus 96, een haartje vlugger of langzamer is dan de andere, houdt hem niet bezig: hij wil weten of het stuk er is. En hij zal niet teleurgesteld worden: vermoedelijk is er niet slechts één opname, maar zijn er twaalf. Als ik de brochures van de Nederlandse Klassieke Vakhandel inkijk, slaat me de schrik om het hart - de ene maand worden de vier symfonieën van Brahms onder Karl Böhm en de negen symfonieën van Beethoven onder Herbert von Karajan aangeboden, de volgende maand is het Beethoven onder Böhm en Brahms onder Von Karajan.

Natuurlijk is dit een ontoelaatbare simplificatie. Maar waar ik naar toe wil, is het constateren van een verbijsterende versmalling van het repertoire. Dit bestaat heden ten dage uit drie componenten: een overstelpend aanbod aan opnamen van muziek uit de barok en daaraan voorafgaande perioden; het 'ijzeren repertoire', grof gezegd muziek van Haydn en Mozart tot en met Mahler, Strauss, Bartók en Strawinsky; muziek van Russische componisten, met als onontkoombare blikvangers Tsjaikowsky en Sjostakowitsj.

In belangrijke mate verwaarloosd wordt het Franse repertoire: dat houdt meestal op bij Ravel en Fauré. Mondjesmaat wordt nu en dan iets uit noordelijke of zuidelijke landen aangeleverd - waarbij geen platenproducent op het idee gekomen schijnt te zijn dat er in Denemarken nog andere componisten werkzaam zijn geweest dan Carl Nielsen, en dat Italië niet alleen Verdi en Puccini, maar ook (bij voorbeeld) Malipiero, Petrassi en Dallapiccola heeft voortgebracht.

Wat de Nederlandse muziek betreft, schijnt er een lichte kentering te kunnen worden geconstateerd, maar van een systematische, doelgerichte productie is, voorzover mij bekend, geen sprake.

En nu kom ik op het punt waarvoor ik u waarschuwde, namelijk: de zaken waarvan ik geen verstand heb. Als ik constateer dat het gemakkelijker is twaalf opnamen van het Vioolconcert van Brahms te vinden dan één van een kamermuziekwerk of een liederencyclus van André Caplet, dan hoef ik niet lang te zoeken naar de reden: het Vioolconcert van Brahms verkoopt gemakkelijker. Met andere woorden: de commercie is machtiger dan welk muzikaal argument ook.

Het wordt bevestigd door een ervaring die ik ongeveer 25 jaar geleden had met de enige platenmaatschappij waarmee ik rechtstreeks te maken heb gehad: Philips. Ik was toen artistiek leider van het Concertgebouworkest. Met de nadering van de honderdste geboortedag van Ravel in 1975 was een project op touw gezet van opnamen van orkestwerken van Ravel door het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink. Die zijn er ook gekomen: Ma mère l'Oye, Valses nobles et sentimentales, Rapsodie espagnole en verscheidene andere werken. In die tijd stond enige malen L'enfant et les Sortilèges op het programma - een van de opzienbarendste partituren van de 20ste eeuw. De solistenbezetting, met o.a. Mady Mesplé en Hugues Cuénod, was nagenoeg ideaal. Voor de uitvoering zijn behalve vijf of zes solisten een klein gemengd koor en een kinderkoor nodig; de kosten zijn dus inderdaad niet gering. De reactie van de directie van Philips op mijn voorstel, ook dit werk in het Ravel-project op te nemen was negatief: 'commerciëel niet interessant'. Die kans was dus verkeken; prompt verscheen niet lang daarna een opname van het werk, uitgevoerd onder leiding van een dirigent die heel wat minder affiniteit met Ravel had dan Bernard Haitink.

Ik heb mij in die tijd vaak afgevraagd - en ik doe dat nog - waarom een platenmaatschappij niet een deel van de miljoenen die men met de zoveelste opname van het Vioolconcert van Brahms of de Vijfde symfonie van Tsjaikowsky verdient (en die verdient men, anders zouden die opnamen immers niet gemaakt worden!) zou kunnen besteden aan projecten waarvan niet bij voorbaat vaststaat dat ze winst zullen afwerpen, maar die cultureel wel van belang zijn. Het lijkt mij een logische gedachtengang - maar ik heb daarvoor nog nooit enige weerklank ontmoet.

Ik heb dus, dat zal men intussen begrepen hebben, nogal wat aan te merken op de wijze waarop de grammofoonmaatschappijen van de mogelijkheden tot vastlegging van het beschikbare muzikale repertoire gebruikmaken. Het zou echter onrechtvaardig zijn alleen hun de schuld te geven van wat ik in het begin van mijn toespraak noemde de 'versmalling van het repertoire'. Want een deel van de verantwoordelijkheid voor die versmalling ligt bij de uitvoerende kunstenaars. Ook zij - de uitzonderingen niet te na gesproken - geven vaak blijk van een schromelijk gebrek aan fantasie en aan durf. En misschien moet men nog een stap verder gaan en de verklaring voor de onbevredigende situatie mede zoeken in de muziekopleiding. De jonge musici die in hun opleiding worden begeleid door pedagogen die zich alleen voor de platgetreden paden interesseren, zullen zich blijven toeleggen op het zo perfect mogelijk reproduceren van de vioolconcerten van Bruch en Brahms, het Vioolconcert van Dvorák, het Pianoconcert van Schumann, de pianowerken van Chopin en Debussy, de liederen van Strauss en Poulenc. Maar dat deden hun grootvaders en -moeders ook al. De twintigste eeuw loopt bijna ten einde en heeft in de muziek een groot aantal hoogst interessante ontwikkelingen te zien gegeven. Te zien, inderdaad - maar we zouden ze graag willen horen.

In de concertwereld geldt vanouds de regel dat het mogelijk is onbekend repertoire ingang te doen vinden, mits het met liefde en overtuiging wordt gebracht. Het is mogelijk, niet alleen aan bestaande belangstelling te beantwoorden, maar ook belangstelling te wekken. Zonder die liefde en overtuiging van uitvoerende kunstenaars waren de composities van Claude Debussy, Gustav Mahler en Claudio Monteverdi geen vast bestanddeel van het concertrepertoire geworden. Het lijkt mij wenselijk dat muziekpedagogen, uitvoerende musici en producenten van cd-opnamen zich spiegelen aan het illustere voorbeeld van die kunstenaars die het artistieke verantwoordelijkheidsgevoel hadden en hebben, waarop ik zoëven, sprekende over 'liefde en overtuiging', doelde.

    • Prof. M. Flothuis