EEN VOOR ALTIJD BEZONGEN KAMPIOEN

Op de Poggio wordt vaak de openingsklassieker Milaan-Sanremo beslist. Giorgio Furlan deed daar wat van hem werd verwacht. Hij rondde het werk af van zijn ploeg. Een favoriet die wint. Een twijfelaar die zichzelf heeft overwonnen. Met een naam die wordt gezongen.

Hij balt zijn vuisten, hij strekt zijn armen, strak, zonder kromming, recht naar boven. Hij recht zijn rug om hem te verlengen en helt licht achterover. Zo hoort een wielrenner die wint te juichen. Sprinters als Bontempi en Cipollini, trots als de oppermachtige winnaars van een massasprint.

Zo juichte Argentin als hij een solo zegevierend afsloot. Zo vierde Giorgio Furlan zijn overwinning op de eindstreep op de Via Roma van Sanremo na zijn aanval bij de beklimming van de Poggio. Juichend als een zoon van Argentin. Hij zou een kloon kunnen zijn. Hij fietst als Argentin. Argentins manier van fietsen heeft hem geïnspireerd. Van Argentin heeft hij veel geleerd. En hij is in dezelfde streek (Veneto) geboren. Hij is even kwetsbaar en gevoelig. En nog steeds is de ex-wereldkampioen in zijn nabijheid, in dezelfde ploeg, als zijn mentor.

“Giorgioooooo!” Italiaanse namen worden gezongen, vooral de namen van een Italiaanse winnaar. Ze weerklinken tussen bergen, hoge huizen in smalle straatjes, in tunnels, stadions, kathedralen en gymzaaltjes in Sanremo. Giorgio Furlan was het tot voor kort niet gegund bezongen te worden. In 1990 was hij weliswaar al Italiaans kampioen, in 1992 won hij de Waalse Pijl en de Ronde van Zwitserland. Maar voor een aureool boven zijn Venetiaanse hoofd was geen aanleiding. Aanbidding gold anderen als Bugno, Fondriest, Cipollini en Argentin.

Wie de Primavera wint, de eerste en schoonste aller klassiekers, zal worden bezongen. In de voorjaarszon, aan de zee, tussen de schilderachtige villa's, de palmen en de bloemen van de Italiaanse Rivièra. Met 28 jaar begint voor Furlan zijn tweede lente, het begin van een tweede wielerloopbaan. Met 28 jaar komen Italiaanse renners doorgaans pas in de kracht van hun leven. Dit seizoen kan Furlan doorstoten tot de wereld van de kampioenen.

Zaterdag won hij al voor de zevende maal dit voorjaar. In de Tirreno-Adriatico was hij vorige week oppermachtig. De aankomsten in Monte Manciano, Monte Monaco en Monte Urano waren hem op het lijf geschreven. Op de korte beklimmingen trok hij ten aanval en niemand kon hem volgen. Zoals hij zaterdag op Poggio di Sanremo wegsprong. Zoals Merckx, Moser, Fignon en Fondriest, op het 'vals plat', twee kilometer onder de top. Wie wilde kon mee, maar niemand was er toe in staat. Dat is tegenwoordig de kracht van Giorgio Furlan.

Zelfs in de bochtige afdaling naar de Via Roma van Sanremo was hij niet te volgen. Sommigen, de sprinters Cipollini, Baffi en Museeuw, wilden wel, maar kregen geen steun. Fondriest, Chiappucci en Bugno zullen wel gek zijn dat ze jacht maken op Furlan met al die sprinters aan hun wiel. Vandaar dat de plaats waar Furlan aanviel, de beste plaats wordt genoemd. Dat weet iedereen. Maar niet iedereen kan het. Zaterdag alleen Furlan.

Renners kunnen nog zo sterk zijn, zonder ploeg en ploegentaktiek is geen klassieker meer te winnen. Daarin school de kracht van het team van Gewiss-Bianchi, de kracht van ploegleider Ernesto Bombini, eens een voorbeeldig knecht van Argentin. Het draaiboek bleek goed doorgenomen. Alle acht renners hadden zich aan de afspraak gehouden. Zonder het perfectionisme van het collectivisme had ook de sterke Furlan niet kunnen winnen. Het is jammer, maar waar. Vedetten op eenzame hoogte zullen er niet meer zijn.

Bontempi en Cenghialta lieten zich volgens afspraak zien waar de koers op gang kwam. Argentin en Volpi offerden zich op in de aanloop van de eerste belangrijke beklimmingen, de Capo Berte, de Capo Mele en de Cipressa. Grote namen van weleer, die zich in hun nadagen ontplooien als betrouwbare collega's.

En dan was er nog Eugeni Berzin, 24 jaar, Rus en afkomstig Viburg bij Sint Petersburg. In 1990 was hij amateur-wereldkampioen op de achtervolging. In Italië werd hij vervolgens lid van een amateurploeg in Piacenza. En daar vonden Argentin en zijn ploegleider Bombini hem. Vorig jaar mocht hij rondkijken in het profmilieu. Dit jaar was hij gereed voor het grote werk. In de Tirreno-Adriatico was de kleine blonde renner de gangmaker van Furlan. Op al die beklimmingen zoog hij Furlan mee zijn wiel. Zoals zaterdag op de Cipressa en vooral op de Poggio.

Zonder Berzin was Furlan niet doorgedrongen tot de rij van kampioenen, zei de winnaar zonder aarzeling. Hij was eerlijk, Furlan, hij kent zijn beperkingen. Hij was altijd een twijfelaar, zei hij. De afgelopen jaren, toen hij nog bij Ariostea, de sterke ploeg van Ferretti reed, was hij nerveus geweest als het zijn beurt was om kopman te zijn. Ferretti zag geen kampioen in Furlan. Een goede renner, die weleens zal winnen, maar niet de kampioen waar hij respect voor zou hebben.

Furlan werd telkens tweede. Hij was niet sterk genoeg, zeker niet slim genoeg. Vorig jaar was hij samen met zijn Zwitserse ploeggenoot Richard in de finale van de Ronde van Lombardije. Hij zou winnen, hij had moeten winnen, maar Richard won. Dat vond hij niet eerlijk. Hij verliet Ferretti en ging naar de ploeg van zijn vriend en voorbeeld Argentin, die al een jaar eerder de ploeg had verlaten.

Moreno Argentin, die hem in 1992 de Waalse Pijl liet winnen omdat hij daartoe zelf door een blessure niet in staat was geweest, kende Furlan. Hij herkende zijn twijfels, hij begreep dat zware trainingen hoe conscentieus en wetenschappelijk begeleid ze ook zijn, niet garant staan voor een serie overwinningen.

De gevoelsmensen vonden elkaar. Ervaringen werden uitgewisseld. Het is een kwestie van rust bewaren en op het juiste moment willen toeslaan, geloven in eigen kracht. Zoals Argentin in 1992 als de grote favoriet op de Poggio wegreed, op dezelfde plaats waar Furlan als de grote favoriet, aanviel. Zo moest het. Zoals Argentin zich door zenuwen overmand in de afdaling liet inhalen door de kamikaze-daler Kelly. Zo moest het niet.

Furlan kan klimmen, zoals hij de afgelopen week toonde. Maar hij kan niet klimmen als Indurain, Rominger en Chiappucci. Hij is explosief, alleen voor het korte werk. Zo wil hij ook in Luik-Bastenaken-Luik en later dit jaar in de Giro en de Tour schitteren, als een eendagswinnaar. Hij geeft het toe. Giorgio Furlan hoeft niet eeuwig bezongen te worden.

Vijftig maal dit voorjaar won al een renner uit een Italiaanse ploeg. Baffi, Cipollini en Furlan zorgden met hun serie overwinningen alleen al voor 22 zeges. De kracht van het Italiaanse wielrennen, de suprematie, is het belangrijkste onderwerp van gesprek in het peloton. Sommigen denken aan (bloed)doping, of aan de universitaire wetenschap die zich uit promotionele overwegingen graag met sporten als wielrennen, atletiek, skiën, langlaufen, volleybal en voetbal bezighoudt.

Misschien is het een kwestie van cultuur. Wie wint wordt op handen gedragen. Wie kampioen is wordt bezongen. Kampioenen worden niet vergeten, kampioen worden voor altijd bezongen. De winnaar van Milaan-Sanremo wordt in Italië niet vergeten. Voor hem zullen deuren blijven open gaan. Volgend jaar is er een andere winnaar, een andere Giorgio Furlan. Weer zo'n naam die wordt gezongen. Weer zo'n renner die zijn rug en armen strekt als hij wint. Een die zich groot maakt, een die zo mooi juicht.

    • Guus van Holland