Dynamiek en poëzie bij Balanchine

Voorstelling: Het Nationale Ballet met Balanchine programma. Nieuwe werken: Kammermusik no.2; muziek: Paul Hindemith. Symphony in Three Movements; muziek: Igor Strawinsky. Reprise: La Valse, muziek: Maurice Ravel. Begeleiding: Nederlands Balletorkest o.l.v. Jac van Steen. Gezien: 19/3 Muziektheater Amsterdam. Daarna tournee.

Aan de al respectabele lijst van Balanchine-balletten heeft Het Nationale Ballet twee nieuwe toegevoegd: het in 1972 gemaakte Symphony in Three Movements en het zes jaar later gecreëerde Kammermusik no. 2. Zoals meestal bij Balanchine verwijzen de titels naar de gebruikte muzikale composities, in dit geval van respectievelijk Strawinsky en Hindemith.

Symphony in Three Movements was bijna vijf jaar geleden in Nederland te zien tijdens het eerste Holland Dance Festival en werd toen overrompelend gedanst door het gezelschap waarvoor het gemaakt was, het New York City Ballet. Net als toen verbluft het werk door het enorme tempo en de hoeveelheid beweging, uitgevoerd door drie solistenparen, vijf omlijstende koppels en een corps de ballet van zestien meisjes. De scherpe, watervlugge beenbewegingen, de wijd wiekende armen, de vaak per seconde wisselende romphoudingen en de tegen elkaar in draaiende cirkels maken het voor het oog bijna ondoenlijk alles tegelijk op te nemen. Een virtuoos ballet met als verstild middelpunt een fraai duet, waarin de lichamen van de twee dansers (Nathalie Caris en Clint Farha) verfijnde lijnen in de ruimte kalligraferen.

Naast de twee genoemde solisten was er puntgaaf dansen te zien van Caroline Sayo Iura en de opnieuw imponerende, piepjonge Sofiane Sylve, goed gesecondeerd door Kevin Cregan en Alfredo Fernandez. Het corps de ballet weerde zich manmoedig, maar heeft nog wel wat repetitietijd nodig om zowel in beweging als in muzikale frasering tot een werkelijke eenheid te komen.

Kammermusik no. 2 laat een voor Balanchine ongewone bezetting zien: twee vrouwelijke solisten en hun partners en een corps de ballet van acht mannen, die vaak als een aaneengesloten en dan uitwaaierend blok dansen met veel kruipdoor, sluipdoor patronen, die zo kenmerkend voor Balanchine zijn. De partijen voor de solisten zijn speels, atletisch en weer razendsnel, terwijl het corps zich vooral krachtig en zelfs wat agressief manifesteert.

Ook in dit ballet worden de dynamische delen onderbroken door poëtisch getinte duetten, waarvan dat van Coleen Davis en Barry Watt verrassend tedere momenten heeft. Davis en de andere vrouwelijke soliste Anna Seidl vormden een pittig, goed bij elkaar aansluitend koppel en de altijd spirituele Jahn Magnus Johansen completeerde het solistenkwartet.

De reprise van La Valse, een werk dat Het Nationale Ballet al sinds 1967 op het repertoire heeft staan, toont een romantisch/dramatisch facet in Balanchine's choreografisch oeuvre. Het heeft een ietwat verhalend karakter: een in het wit geklede jonge vrouw wordt tijdens een bal onweerstaanbaar aangetrokken door een 'figuur in zwart', de dood of het noodlot symboliserend. Hij lokt haar met zwarte juwelen en kleding en voert haar mee in een steeds wilder wordende wals tot zij bezwijkt.

Ook de beginscène van drie vrouwen die met hun verleidelijke poses en gemaniëreerde gebaren van hun in lange handschoenen gehulde armen en handen verwijzen naar een ijdele, decadente en van zichzelf overtuigde elite, geeft aan dat Balanchine zich ook met andere dingen dan louter bewegingsconstructies bezig hield.

Het werk, gemaakt in 1951 zit zeer knap in elkaar maar doet in dramatisch opzicht toch gedateerd aan, wellicht mede omdat de uitvoering om artistiek rijpere dansers vraagt - zoals Jeanette Vondersaar zo duidelijk bewees - dan degenen die nu in de meeste solistische rollen waren ingezet. Claire Philippart als de vrouw in het wit, en haar partner Boris de Leeuw waren echter in onderdelen zeker overtuigend en Clint Farha zette een sterke doodsfiguur neer.

    • Ine Rietstap