De burcht van de heren van Amstel is nog niet gevonden

Grote opwinding heerst in Amsterdam en ver daarbuiten. Dichtbij het 'Kasteel van Amstel' van het voormalige dagblad De Tijd heeft de archeologische dienst van Amsterdam onder leiding van stadsarcheoloog Jan Baart de resten gevonden van de benauwde veste van Gijsbrecht van Amstel. Zij zouden uit de twaalfde eeuw stammen.

De commotie doet denken aan 1875, toen Vondels kasteel in schriftelijke bronnen werd 'gevonden'. Volgens een rekeningpost zou in 1308 geld betaald zijn aan de baljuw voor 't huis te Amsterdam. Toen bleek het een leesfout; het ging niet om 't huis maar om de thins, een grondbelasting. De uitgever van die rekening was lichtelijk verblind geraakt door Vondels drama. Ook nu is het op grond van de schriftelijke bronnen voorlopig niet waarschijnlijk dat het imposante stuk muur in Amsterdam een deel vormde van het kasteel van de heren van Amstel.

Gezien de plaats en de diepte waarop de muur ligt kan het haast niet anders of het gaat hier in ieder geval om het oudste opgegraven muurstuk van Amsterdam, ongetwijfeld uit de dertiende eeuw, mogelijk van vóór de oudste schriftelijke vermelding uit 1275 van de 'mensen die bij de Amsteldam wonen'. Met spanning zie ik uit naar de resultaten van het onderzoek naar het funderingshout waarmee de kapdatum van het hout kan worden vastgesteld. Daarmee valt te bepalen ná welke datum de muur gemetseld kan zijn. Dan zal tenminste op dat punt enige zekerheid ontstaan over de oudste geschiedenis van Amsterdam. De vraag tot wat voor bouwwerk de muur kan hebben behoord valt veel moeilijker te beantwoorden.

In navolging van de oude Karolingische en Ottoonse adel gingen lieden, die van oorspronkelijk onvrije status stamden, maar in dienst van hun heren waren opgeklommen, er in de loop van de twaalfde en dertiende eeuw toe over zich te sieren met een soort achternaam. Die achternaam ontleenden zij aan de plaats waar het centrum van hun bezit of machtsgebied was gelegen en waar hun 'huis' stond. Zij spraken daar recht en inden er de belasting, aanvankelijk namens hun heer, later voor zichzelf.

Zij waren met die bezittingen beloond voor hun diensten als beambten van hun heer, van wie zij zogeheten ministerialen waren. De latere heren van Amstel stamden naar alle waarschijnlijkheid af van Wolfger, een ministeriaal van de bisschop van Utrecht. Hij wordt voor het eerst genoemd in 1105 als schout van Amestelle. In 1126 wordt hij niet meer alleen Wolfger genoemd, maar Wolfger van Amestelle. De sociale opgang van het geslacht Van Amstel wordt duidelijk als in de eerste helft van de dertiende eeuw Gijsbrecht zich 'heer van Amestelle' en 'ridder van Amestelle' gaat noemen.

Het machtscentrum van deze familie was dus Amestelle. Reeds Wolfger zal in dit centrum zijn woonplaats hebben gehad en zich vervolgens daarnaar hebben genoemd. In 1204 werd dit 'heerlijk gebouwde huis', door de dertiende-eeuwse dichter Melis Stoke veste genoemd, verwoest door invallende Kennemers. Zij hadden eerst de dijk van de Amstel doorgestoken en vervolgens ook het veengebied langs de rivier gebrandschat. Ook de boomgaard bij het huis werd volledig in de as gelegd, zo wordt in de annalen van Egmond vermeld. Het 'huis' lag derhalve, in 1204, in het veengrondgebied van de Amstel, in het Amstelveen dus. Het lag klaarblijkelijk niet aan de monding van de rivier of bij de dam. Die dam was er waarschijnlijk ook nog niet. Volgens de laatste onderzoekingen van prof. P.A. Henderikx van de Universiteit van Amsterdam kan de dam op zijn vroegst in het tweede kwart van de dertiende eeuw zijn aangelegd.

Nu is het met de naam Amestelle een beetje ingewikkeld gesteld. De naam kan de rivier aanduiden, het gebied waardoor de rivier stroomt en ook de plaats waar het bestuurscentrum van dat gebied was gelegen. Omdat de oudste parochiekerk van het land van Amstel volgens opgravingen al in de twaalfde eeuw in Ouderkerk lag, spreekt het vanzelf daar ook dat oudste bestuurlijk en juridisch centrum te zoeken. En omdat het niet waarschijnlijk is dat zo'n centrum verplaatst wordt, zal ook de schout van 1105 op die plaats zijn huis hebben gehad.

Een eeuw na de verwoesting van het huis van de dienstlieden van Amstel in 1204 blijkt de eerste baljuw van het land van Amestelle namens de bisschop van Utrecht, die dat land toen in leen had gekregen van de graaf van Holland, in 1306 opnieuw in Ouderkerk te wonen, en niet in Amsterdam. Om zijn gerechtelijke taak aldaar uit te oefenen stelde de baljuw voor Amsterdam op 5 december 1305 een aparte schout aan. Over Ouder en Nieuwer Amstel sprak hij zelf recht. Het vroegere gebied Amestelle was inmiddels namelijk in twee delen gesplitst, een ten oosten van de Amstel en een ten westen. Dat had te maken met de nieuwe parochiekerk die ten westen van de Amstel was ontstaan. Het gebied van de oude kerk van Amestelle kreeg toen de naam Ouderamstel, later Ouderkerk aan de Amstel. Het gebied met de nieuwe kerk werd Nieuweramstel, tegenwoordig Amstelveen.

Omdat de baljuw in 1306 zijn centrum nog steeds in Ouder Amstel had is het waarschijnlijk dat het in 1204 verwoeste huis van de heren van Amstel aldaar is herbouwd. En het is niet waarschijnlijk, gezien de juridische en economische functie van dat centrum, dat zij hun woning naar Amsterdam hebben verplaatst.

Dat betekent dat de nu gevonden muur een interessant probleem oplevert. Waarvan was hij dan een onderdeel? En hoe kan hij worden ingepast in de schimmige dertiende-eeuwse geschiedenis van Amsterdam? Zonder de exacte vorm van het bouwsel te weten valt er voorlopig weinig over te zeggen. Mogelijk gaat het om een versterking aan de monding van de Amstel uit de dertiende eeuw om nieuwe aanvallen van de Kennemers zoals in 1204 af te slaan.

Frappant is in dat geval de overeenkomst met het slot aan de monding van de Vecht. Muiden werd vanaf 1226 eveneens in leen gehouden van de bisschop van Utrecht door de Van Amstels. De voorganger van het huidige Muiderslot werd evenwel circa 1280 door Floris V van Holland gebouwd, mogelijk toen Gijsbrecht van Amstel in Zeeland gevangen zat en nadien zijn goederen aan Floris afstond om ze van hem in leen terug te ontvangen.

Gepoogd is hier het 'Vondelsyndroom' nog even in de ijskast te laten totdat er meer over te zeggen valt. De vraag over de datering valt hopelijk spoedig enigszins te beantwoorden. Ik hoop dat die gegevens sneller gepubliceerd worden dan die van de Amsterdamse opgravingen van de laatste twintig jaren. Die werden namelijk in het geheel niet aan de wetenschap ter beschikking gesteld.

    • C.L. Verkerk