Comedie van Sanremo

Als een commedia dell'arte. Op 500 meter van de eindstreep probeert een hoge politiefunctionaris op leeftijd de weg vrij te maken voor de renners die achterstand hebben op de winnaar van Milaan-Sanremo.

Voetgangers die willen oversteken geeft hij in strenge bewoordingen en gebaren te verstaan dat hij uitmaakt wie er oversteekt en wanneer. Dikbuikige toeristen op racefietsen willen in hun professionele truitjes van Carrera, Gatorade of Atala de weg volgen naar de finish, maar ze worden tegengehouden door de strenge fluit van het gezag. “Hé, waar ga jij naar toe.” En: “Hier wordt een wedstrijd gereden en daar doe jij niet aan mee”. Of: “Dat kinderen het niet begrijpen, dat weet ik wel, maar jij.” Hele pelotonnetjes passeren de politieman. Af en toe lukt het hem een fietser tot stilstand te brengen. Een man met een baard en een valhelm is het er niet mee eens. “De wedstrijd is al afgelopen. Wie heeft gewonnen?” De agent spuit de fluit uit zijn mond. “Daar ben ik niet voor. Dat is niet mijn functie. Ga maar vragen.” “Maar ik mag er niet door van jou. En kijk eens, hij wel.” Scooters schieten voorbij de agent, een Fiat 500 uit de jaren vijftig scheurt luid toeterend langs de tegengehouden toeristen. “Hé, Chiappucci”, roepen ze uit het open dak tegen de agent. Maar hij heeft gelijk. In de verte doemen renners op die nog in de wedstrijd schijnen mee te rijden. Twaalf minuten geleden is de winnaar voorbij geflitst. Of zijn het weer toeristen? In deze chaos valt de beroepsrenner niet te onderscheiden van de toerist. Het zijn profs, er rijdt een motor voor en een motor achter. Voorop rijdt een roodwitblauwe trui. Dat moet de Nederlandse kampioen zijn, Erik Breukink. Achteraan herkennen de insiders Frans Maassen, die lange tijd bij een ontsnapping was betrokken. Nederlandse toprenners. De eerste Nederlander was al over de eindstreep. Steven Rooks, hij werd 35ste. Nog niet alle deelnemers zijn voorbij. De bezemwagen is nog niet geweest. De agent probeert dat duidelijk te maken aan al die toeristen op hun racefietsen. Ze hebben er een wedstrijd van gemaakt. Maar de agent is de spelbreker. Dan komt een motor met zijspan aanrijden. De agent springt ervoor om hem tegen te houden. De motorrijder mindert vaart en roept dat hij bij de wedstrijd hoort. “En die doet zeker ook mee”, schreeuwt de agent en hij wijst op de bak naast de motorrijder. Daar zit met zijn snuit in de wind, een sjaaltje op zijn nek en een rennerspetje op zijn kop een hond. “Ja”, roept zijn baas en hij spuit weg.