Asieldilemma's

DE KOORTSACHTIGE activiteit van politici het afgelopen weekeinde om het asielprobleem te bezweren illustreert voornamelijk voor welke dilemma's Nederland zich ziet gesteld. Dat begint al met de geest van Schengen. Staatssecretaris Kosto (justitie) wil zogeheten overname-overeenkomsten sluiten met België en Duitsland zodat deze de afgewezen asielzoekers terugnemen die Nederland via hun territoir hebben bereikt. Zullen deze buurlanden daarvoor wel zijn te vinden? Kosto zegt weinig problemen te verwachten omdat de nieuwe regeling past in het Verdrag van Schengen. Nog geen jaar geleden noemde hij de omleiding van asielzoekersstromen naar andere Schengen-landen een “sluimerend probleem” binnen het kersverse samenwerkingsverband. Dat was niet te veel gezegd. Kern van veel moeilijkheden is dat de Europese landen onder het mom van harmonisering zoveel mogelijk proberen de lasten op elkaar af te wentelen.

Het kan ook moeilijk een blijk van vertrouwen in Schengen heten dat de staatssecretaris duizend manschappen claimt voor vliegende brigades die vreemdelingencontroles achter de grens moeten uitvoeren. Achter de grens, want het Akkoord van Schengen voorziet juist in afschaffing van persoonscontroles aan de binnengrenzen van negen van de twaalf leden van de Europese Unie. Nederland volgt met zijn vliegende brigades overigens alleen maar het voorbeeld van Frankrijk. Schengen blijkt voornamelijk een kwestie van definitie. Het Akkoord beperkt zich tot de afschaffing van controles aan de grens die louter wegens het feit van voorgenomen grensoverschrijding en los van andere motieven worden uitgevoerd. Zo gedefinieerd kan een 'normale' politiecontrole ook plaatshebben in grensstreken. Vreemdelingentoezicht behoort ontegenzeggelijk bij het normale politiewerk.

Voor het asielprobleem zegt dit niet alles. Kenmerkend voor asielzoekers is immers dat zij zich aanmelden. Achter-de-grens-controle kan natuurlijk wel helpen (economische) avonturiers meteen te weren. Maar de kneep is dat het gros van de verschoppelingen die de afgelopen tijd voor zo'n dramatische stijging van de aantallen hebben gezorgd, juist uit gebieden komen waarheen ze niet kunnen worden teruggestuurd. De A-status voor echte vluchtelingen blijft zeldzaam, maar andere modaliteiten vormen inmiddels een hele “statusparade”: B-status, C-status, G(edoogden)-status en in het geval van het voormalige Joegoslavië de O(ntheemden)-status. Het is dan ook de vraag of het grote knelpunt wel zozeer het toelatingsbeleid is en niet eigenlijk het opvangbeleid - dat in elk geval zichtbaar wordt gekenmerkt door de afwezigheid van coördinatie tussen betrokken sectoren als volkshuisvesting, welzijn en binnenlandse zaken.

HET KABINET maakt zich nu op alles te zetten op de kaart van de 'veilige landen', al dan niet in combinatie met het 'land van eerste opvang'. In beide gevallen kunnen asielzoekers met een minimum aan formaliteiten worden teruggestuurd. De effecten van de wijziging van de Duitse grondwet (en de 'nullijn' voor immigratie van de Franse minister Pasqua) doen zich voelen bij de omringende landen. Het probleem is te voorkomen dat alleen maar een nieuwe ronde van aanscherpingen wordt ingezet - wanneer de omringende landen hun aanpassingsmaatregelen hebben getroffen. In 1991 noemde Kosto een Europees asielbeleid van de kleinste gemene deler “volstrekt onaanvaardbaar”. Dat punt begint naderbij te komen.